Aan de sassen

Aan de sassen, wachtend op mijn pa. (november 1956)

Op minder dan een meter van de kadeboord kreeg mijn moeder bankschroefhanden. En er waren vele kadeboorden in ons leven. Soms heb ik nu een gevoelloze rechterduim. Omdat mijn moeder nooit heeft leren zwemmen. Omdat zij van haar moeder nooit een zwembroek heeft gekregen. En omdat je zonder zwembroek niet kan leren zwemmen. Zeker niet als je een meisje bent. Jongens in hun blote ploeterkont op het strand. Kon net. Meisjes, komaan zeg! Ik denk dat meisjes zonder zwembroek vollopen. Ik denk veel rare dingen over meisjes.

Met een rechterhandje als een bekneld roze worstje kijk ik op naar de sasmeester. De sasmeester is, in die koude novembernacht onder een felle gele natriumlamp, drie meter groot. Hij blaast damp en sigarettenrook uit zijn grot-neusgaten vol stekelhaar.

Hij keuvelt met mijn moeder. Mijn moeder ruikt lekker naar zeep en 47/11. Moeders die aan de sassen wachten op hun vent ruiken allemaal lekker. Sasmeesters keuvelen graag met moeders die op hun visser wachten. Sasmeesters zijn vriendelijke mensen. ‘s Nachts wonen zij in rare vierkante huisjes op de kade. Saskotjes. Als hij spreekt vliegen er vonkjes van de sigaret in zijn mondhoek. Ik ben bang dat ze op mijn hoofd vallen, in mijn ogen. Ik kijk dan maar recht voor mij uit. Op sasmeester gulphoogte. Al de knopen zijn dicht. Met mijn linkerhand voel ik slinks of mijn knopen ook allemaal dicht zijn. Als er een knoop van je gulp open is roepen ze je na dat je vogel gaat wegvliegen. Dat heb ik liever niet.

De sasmeester kijkt langs zijn neus naar beneden. ‘Vloek eens ventje.’ Ik ratel luid: ‘Hemelste-gekruiste-genagelde-vlammende-miljarde-nondedju-godverdomme’. Mijn moeder zucht gelaten en probeert mijn arm uit mijn schouder te rukken. Ik kan zeer goed vloeken. Dat heb ik geleerd van de bemanningen en de vislossers. Als ik met mijn vader of grootvader op café ga vraagt men mij dikwijls te vloeken. Ik doe het niet altijd, maar wel als men mij een reep chocolade of een limonade belooft. Mijn vader en grootvader vloeken nooit.

Ik hoor mijn broertje geeuwen. Hij is in zijn wandelwagentje geparkeerd in het sashuisje. Hij is nog maar drie en slaapt. Hij slaapt veel. Hij huilt ook veel. Als ik hem een duw geef of zijn knuffelbeer wegrits. Aan de overkant van het sas knarst het grind. Een fietslamp wipt iets op en rijdt over de sasdeur naar ons toe. Ik wil best naar die lamp toe. De bankschroef wordt waarschuwend strakker.

Vesje zegt ‘genavond’. Hij trottinet naar mijn grootvader die, uitdagend dicht bij de kadeboord met de handen op de rug, wachtend in de lucht staart. Vesje is onze peder. Hij zorgt voor ons schip als het binnen is. Binnen wil zeggen in de haven. Een schip is binnen of buiten of gebleven. Als een schip gebleven is mompelen onze anders zo schelle moeders. Liliane, Yvonne, Blanche, Denise, Adronie en Simonne, mompelend voor de deur van Alfons de beenhouwer. Als onze moeders mompelen zijn wij braaf. Mompelende moeders meppen harder.

Een schip kan ook opliggen. In de zomer. Dan is mijn vader langer thuis en bikt Vesje de roest af, schildert, schept de stinkende patattenbak leeg, kuist het kookhuis en het logies. Hun kooien kuisen de matrozen zelf. Daar bewaren ze onder hun matrassen boekjes met foto’s van blote vrouwen.

Ik hou van Vesje. Hij spreekt Kaais omdat hij vroeger bootjessjouwer was en op de visserskaai geboren is. Dat is de andere kant van de haven. De kant van de vistrap, de kleine scheepjes, de bootjessjouwers, de Schipperstraat, de Franciscusstraat, en het Zwijnenpleintje. Onze kant dat is den Opex. De vuurtoren, de vismijn, de middenslag schepen en de ijslanders. Vesje heeft een spinnenweb-gezicht en niet veel tanden. Zijn piekenaasmes is altijd scherper en hij heeft een lachende dikke vrouw.

Thuis mogen wij geen Kaais spreken. Dat is gemeen. Wij spreken Oostends, maar mijn grootouders spreken Pans. Omdat ze van De Panne zijn. De meeste grootouders spreken Pans. Puizenschijters. ‘Een schip, een huis en een grote vogel op dak’, smalen de Oostendenaars. ‘Jaloers’, schokschoudert dan mijn grootvader. ‘Serveuses en zeerovers met een gat in hun hand.’ Mijn grootvader weet alles. Wij spreken thuis dus geen Kaais.

Om de hoek, waar de sassenkaai de havengeul indraait, glijdt een witte lantaarn op een masttop met een rendier-windvaan. Roerkettingen rammelen knarsend, en een schip scharniert de sassenkaai in. De gewafelde metalen platen onder onze voeten beginnen bruusk denderend te trillen. Onder die platen zitten de sasmachines. Mijn moeder vlucht in drie grote stappen de platen af. Ik sukkel verrast mee. De sasmeester glimlacht begrijpend. Naar mijn ma. Hij haakt een kettinkje dwars over de sasdeur. Opdat je er niet zou overlopen als de deur open is. Twee dikke zilveren cilinders glijden sissend uit de kaaimuur en duwen de deuren uit elkaar. Als ik op mijn tenen sta zie ik de zwarte voorsteven met de witte moustache en de oranje rendierkop tussen de deuren glijden. Ik lees O punt één negen drie. Op de witte bak staat de stuurman met de korfzak bij het vooreind. De scheepsdiesel slaat in achteruit. Wit water kolkt onder de achtersteven. Vooreind en achtereind vliegen de kade op. Mijn grootvader en Vesje leggen ze rond een bolder. Een venster valt met een klap naar beneden in de brugwand. Mijn vader, met zijn klak op zijn achterhoofd, leunt op beide ellebogen naar buiten. Hij lacht en zwaait naar ons.

Mijn pa is binnen.

Mijn moeder waagt zich een paar meter dichter bij de kadeboord. ‘Dag vrouw, dag jongen’, en, ‘Pa, zet de kleine aan boord!’ Ik voel mijn moeder gruwen en onwillig haar bankschroef lossen. Ik gruw verlangend een beetje mee. Je mag nooit tussen kade en schip vallen. Dan word je platgedrukt als een vijg. Mijn grootvader tilt me op onder mijn oksels en zwaait me over het water naar de bak. Ik kijk stiekem naar het zwarte water onder me en denk aan vijgen. Nooit je ogen dichtknijpen want dan lachen ze met je. De stuurman loeit: ‘Kom hier, maat’, leunt over de reling en zwiept me verder aan boord. Mijn grootvader springt me achterna. Ik klauter de metalen trap af en draaf over het dek naar het achterschip. In het kookhuis stinkt het naar mazout, rotte patatten, sigaretten, ongewassen lijven en scheten. Ik zie mijn vaders voeten bovenaan de trap naar de brug op me wachten. Ik klim de paar treden op en geef hem een kus. Hij prikt en ruikt naar schip. De chocolade die hij terug naar huis brengt na een reis, smaakt naar schip. Niemand heeft zo’n lekkere chocolade. Ik krijg het allemaal want mijn moeder beweert dat het pure mazout is en mijn broertje is te klein. De sasdeuren achter ons zijn dicht. Haastig zoek ik mijn plaatsje waar ik, als ik me met mijn vingertoppen een beetje optrek aan de vensterboord, door een voorruit kan kijken. De tweede sasdeuren zijn bijna open. De landeinden worden hand over hand binnengehaald. De stuurman op de bak steekt zijn hand op en brult: ‘Jaw’. Mijn grootvader steekt zijn hoofd door het open bakboord venster en werpt een blik op het achterdek en roept: ‘Jaw’. Mijn vader draait aan een rood wieltje op een stang die door de vloer steekt. De diesel doet de brug schudden, de schoorsteen spuwt venijnig witte wolken. Twee draaien aan het roer en de neus van het schip zwaait van de kade af naar de open sasdeuren. De vismijn en de kade zijn helverlichte theater podia.

Ik ben een prins.

EINDE

Fotocover van Jo Boey

Dit zijn de foto’s die ingestuurd werden bij het verhaal van Gilbert Goutsmit:[instagram-feed type=hashtag hashtag=”#drijfhout3″ num=4 cols=4 showcaption=false]

Geschreven door:

Opexenaar met westhoek roots. Zoon, kleinzoon, achterkleinzoon, enz. van vissers, maar die nog altijd het verschil niet kent tussen "papgullen" en "schone kleine". Opgegroeid tussen panger, oliegoed en de kaai. De pekel, afgespoeld door hogeschool en zakenmillieu’s, begint nu weer door mijn vel te sijpelen.