Boeken

Nicholas Fraiteur stonk als de hel toen hij in de vroege ochtend over het strand van Oostende wandelde. Uit zijn mond kwam een walm die zeemeeuwen op afstand hield en de luttele mensen die hij passeerde vol verachting deed opkijken – het gevolg van een nachtje stappen in de Langestraat. Hij liep langs de vloedlijn, waar zijn versleten cowboylaarzen nog net het water konden ontwijken. Hij liep waggelend richting station. Hij voelde een vage koppijn, maar het kom hem niet verdommen. Het was eeuwen geleden dat hij nog eens uitgegaan was in Oostende. Omdat hij een vaste job als tramchauffeur in Gent had, maar vooral omdat er niets meer te beleven was in Oostende. Hij had als jongeling de tijd meegemaakt van de vele knokpartijen, de geweldige optredens en muziek die zelfs Britten naar hier brachten. Hij was zelf ook enkele keren een nachtje in de cel beland. Soms om een vechtpartij, soms omwille van drugs. Het was een waarheid die zijn vrienden indertijd hoog in het vaandel droegen: wie niet in de cel belandde, was in die tijd niet echt uit geweest.

Op het strand zag hij rond zich zeewier, opgedroogd zeeschuim, hier en daar wrakhout en de voetsporen van mensen en honden. Hij stak een sigaret op en keek om zich heen. Niemand te zien, alleen in de verte een meisje dat in haar dooie eentje over de reling op de dijk hing. Vreemd, dacht hij. Hij bleef even staan, draaide zich naar haar toe en trok aan zijn sigaret terwijl hij haar met toegeknepen ogen gadesloeg. Hij zag haar niet erg goed, behalve dat ze naar beneden keek en er niet erg opgewekt leek uit te zien. Ze leek hem niet erg oud. Zeventien, achttien jaar, zoiets. Lang zwart haar, knap uiterlijk.

Hij liep door. Een koude windstoot bezorgde hem rillingen over zijn hele lijf. Op de dijk floot de wind rond de gebouwen. Hij keek even terug naar de plaats waar het meisje stond. Ze was er niet meer. Weg, foetsie. Vreemd, net als het feit dat ze daar om te beginnen al stond, op dit uur. Hij zag niemand, noch op de dijk, noch op het strand. Hij haalde zijn schouders op. Enkele decennia geleden zou Oostende er op een zondagochtend niet zo verlaten bij gelegen hebben, dacht hij, terwijl hij met een stevige ademtrek het vuur in zijn sigaret trok. 

Het station van Oostende ademt grandeur uit, grandeur die de stad al lang niet meer heeft, maar Nicholas Fraiteur had er weinig oog voor. Hij zocht met zijn morsige T-shirt en zijn azijnachtige lijfgeur naar de uurroosters die hem zouden vertellen wanneer er een trein naar Gent was. Tien minuten wachten, dat viel mee. Hij kuierde even rond. De charme van het station in Oostende was voor hem dat het een terminus is. Het einde van de wereld. Verder dan dit kom je niet. Wie verder wil gaan, valt pardoes van de aarde af. Dan kan je beter hier je vertier zoeken. In de Langestraat of elders in de stad. Maar als vroeger zou het nooit meer worden, dat wist hij. Fraiteur was opgegroeid in Oostende, had school gelopen in het Onze-Lieve-Vrouwcollege en had even kunstacademie in Brugge gevolgd. Hij bracht niet veel terecht van tekenen en schilderen, hoewel hij het graag deed, en stopte er na anderhalf jaar mee. Hij volgde zijn vriendin, die fotografie studeerde in Gent. Hij werd tramchauffeur. Zijn vriendin heeft vandaag een koffiesalon waar fotografen tentoonstellen, maar waar ze amper haar brood mee verdient. Het leven is niet altijd wat je ervan verwacht.

Fraiteur zeeg vermoeid neer op een bank op het perron waar zijn trein zo dadelijk zou aankomen. Hij zag een oude man die er onverzorgd oud uitzag en een hardnekkig alcoholprobleem had, afgaand op de fles wodka die hij in zijn hand had. Hij dacht aan zijn job als tramchauffeur. En vooral aan alle frustratie die er mee samenhing: agressieve automobilisten, een idioot in een Mercedes die uitstapt en die met een koevoet op je afkomt en daarna op je tram begint te pissen, voetgangers die je bruusk afremmen, oude vrouwtjes die boterhammen met stinkkaas beginnen op te eten, de steeds grimmiger sfeer tussen collega’s omdat er steeds meer moet gedaan worden met steeds minder mensen. Het waren kleine ergernissen die elk jaar een klein beetje groter werden.

Een klein uur later stapte hij zijn dakappartement in het centrum van Gent binnen. Hij woonde op een steenworp van de Boekentoren, vanwaar hij elke dag met de fiets naar Gentbrugge trok, waar zijn dagtaak als tramchauffeur telkens begon. Vandaag had hij vrij. Helemaal niets te doen, behalve zijn kater en zijn vermoeidheid verteren. En de aangekoekte pannen in zijn wasbak afwassen, maar daar had hij geen zin in. Een andere keer was ook goed. Hij keek in de spiegel, om de schade van een nachtje stappen op te meten. Hij zag vermoeide ogen, waar een doffe blik in lag. Hij zag er minder goed uit dan hij dacht. Achter hem zag hij zijn zorgvuldig onderhouden bananenplant, die nooit erg groot was geworden, maar toch genoeg leven in zich had om het al jaren uit te houden. Zijn haarlijn was met het ouder worden teruggeweken, maar hij had een wilde haardos, die leek in vuur gezet te worden door de lamp die boven hem scheen. Hij keek zichzelf stuurs aan. Plots wist Fraiteur wat hij zou doen vandaag. Voor één keer zou hij nog eens tekenen. Een trip down memory lane, net zoals de voorbije nacht. Hij zette zijn schildersezel op die hij nog steeds had en begon eraan. Met rood potlood, zoals zijn grote idool, Léon Spilliaert. Hij vergat dat hij stonk als een duivel, dat morgen zijn leven terug bepaald zou worden door de rails van de tram en dat het onbekende meisje aan de dijk van Oostende nog altijd door zijn hoofd spookte. Hij tekende alsof zijn leven ervan af hing.

EINDE

2 november / Léon Spilliaert

Geschreven door: