De golfbreker

Boven de Belleboei doemen onheilspellende wolken op. Een strakke noordenwind jaagt ze landwaarts. Het zand stuift driftig op. Tegen de golfbrekers vormen de zandkorrels glooiingen. Klodders witgeel zeeschuim spatten uiteen. Lizelotte zit voor het raam en spot zeevogels. Met het vogelboek van Lars Jonsson op schoot, is het nog een ferme klus om alle meeuwensoorten uit elkaar te halen. Tegen de wind in, strijken kokmeeuwen sierlijk neer. Traag plooien ze hun grijze vleugels tegen de flanken van hun te vette pens. Lizelotte neemt haar verrekijker en observeert de vogels. Gefascineerd keurt ze hun vinnige danspasjes. De dieren dribbelen opgewonden op twee oranje zwempootjes tot aan de vloedlijn. Eén soortgenoot huppelt de anderen achter na. ‘Een mankepoot!’, bemerkt ze verbaasd. Ze volgt de meeuwen en ziet hoe hun helrode snavels wroeten in het natte zand. Met succes. Dikke pieren bengelen uit hun snavels. Een leger rivalen cirkelt boven de aaszoekers. Abrupt stopt het tollen. Als volleerde strategen zweven dwergsterns roerloos boven de prooien. Bek dicht… klaar voor de charge. Kierri-ik, graaien, klapwiekende vlerken… beet! Luchtoffensief geslaagd: sterns met pieren schieten omhoog. Een dwarrelwind voert grijze meeuwenveertjes mee.

Met haar neus tegen de ruit aangedrukt speurt Lizelotte in het luchtruim naar de lefgozers die nu bandeloos genieten. ‘Buik vol en dan de vrijheid’, zegt ze halfluid.
‘Waar hebt je het over?’, vraagt Lander zonder zijn computerscherm uit het oog te verliezen. Ze luistert niet of doet alsof en fixeert de strandlijn. ‘Ze zijn weggevlogen’, zucht ze even later.
‘Meeuwen hé?’, oppert Lander. Hij rekt zich uit, staat recht en tuurt in de lucht. Een troep strandlopertjes tippelt nerveus heen en weer op de golfbreker. ‘Iets drinken?’
‘Een rozebottel en een chokotoff.’
‘Geen biertje?’
‘Dat drink ik nooit meer, en dat weet je al langer dan vandaag!’
‘Sorry.’

Enkele minuten later serveert hij haar theetje. Ze roert er suiker in en kijkt gefascineerd toe hoe de knoppen van rozebottels het theewater karmijn kleuren. Voorzichtig likt ze aan het lepeltje en proeft kleine slokjes. Ze geniet van het warme vocht, sluit haar ogen en droomt van eindeloos zweven en dansen.
Lander lurkt aan zijn biertje en buigt zich terug over zijn pc. ‘Verdraaid, het is na elven. Mijn reportage moet ten laatste om 12 uur op de redactie liggen. Kan je mijn nota’s uit mijn aktetas halen?’
Lizelotte zet haar mok opzij, pakt haar krukken en komt moeizaam uit haar zetel. Een pijnlijke trek verschijnt op haar gezicht. Haar rechter been sleept ze achter zich aan. Ze haalt de papieren uit zijn tas.
‘Hier’, zegt ze vlak.
‘Lizelotte?’

Zwijgend plooit ze zich terug in de zetel. Haar blik staat op onweer. Heel eventjes observeert Lander zijn lief.
Trammelant in het luchtruim doet Lizelotte opschrikken. Een grote groep sterns vliegt onrustig heen en weer. Geboeid observeert ze hun vliegtechniek. In sierlijke curves en wervelende pirouettes skiën ze zachtjes op het wateroppervlak neer. Op het natte zand hiphoppen de meeuwen lustig rond tot ze met hun kop in de wind en op één poot, uitrusten. ‘Ook met een mankepoot kunnen ze nog sierlijk bewegen’, merkt ze bitter op. Lusteloos pakt ze een magazine van het bijzettafeltje. Supermodellen sieren de cover. Lizelotte zwiert het tijdschrift nijdig op de grond. Ze bijt op haar nagels en trekt aarzelend haar trainingsbroek omlaag. Vol afschuw bekijkt ze het litteken op haar dij. Ze gruwt. Tweeëndertig centimeter lang, zes millimeter breed!

‘Verdomme!… Mijn hele leven is verwoest!’ Tranen vloeien langs haar wangen. ‘Ik wil dansen! Hoor je!’ Ze schreeuwt haar keel schor.
‘Lizelotte toch, het komt wel in orde. Je maakt toch vorderingen? De dokter zei dat je breuk minstens een jaar nodig heeft om volledig te helen. Hela meisje, we zijn vier maanden verder en je kunt al wat rondpikkelen. We hebben al een derde doorworsteld! Je getrainde spieren…’
‘Weet ik!’, tiert ze, ‘en stop met me te bemoederen. Ik ben geen klein kind! Voor jou is het gemakkelijk! Je kan gaan en staan waar je wil. Mijn leven is om zeep, ik,… ik kan niets meer. Ik zal nooit meer dansen als voorheen. Nooit meer!’
Jammerend krimpt ze ineen. ‘Ik kan mijn been niet eens plooien.’
Lander kijkt haar ongelukkig aan en repliceert niet. ‘Lizelotte, mijn artikel…’
‘Rot op.’

Focussen op zijn verslag lukt maar half. Het is kiezen tussen weeral eens zijn lief troosten of doorwerken. Doorwerken! Ik mag in geen geval mijn job verwaarlozen, denkt hij. We hebben het geld echt nodig: dokters, ziekenhuis, kiné. De inkomsten van haar danslessen vielen weg. De verzekering zal dokken, maar wanneer? Drie voor twaalf! Doorsturen, net op tijd. Hij sluit zijn pc af. De eindtune vult de stille kamer.
‘Lizelotte, ik zal…’
‘Laat me met rust! Het kan je geen barst schelen hoe ik me voel. Je hebt je werk, je vrienden, voor jou verandert er niets. Je hebt alles! Leuke collega’s…’
‘Stop daarmee! Je weet verdomme heel goed wat ik voor je doe. Die job is meer dan nodig. Zonder zitten we compleet aan de grond. De huur van ‘jouw’ studio swingt de pan uit. Madam moest zo nodig op de Zeedijk resideren hé.’

Terwijl zijn woorden nog navibreren kleurt Landers hoofd rood. Hij kijkt haar niet aan, maar staart naar de grond. Spijt steekt de kop op. ‘Sorry, ik had je niet mogen…’
‘Nu weet ik tenminste hoe je over me denkt! En kom nu niet aandraven met schone woorden. Ik ben je geklets beu!’ Koppig draait ze haar gezicht naar de zee. Mistregen belemmert haar zicht. Lander ontkurkt nog een biertje. Stiekem observeert hij haar. Onwrikbaar blijft ze voor zich uit staren in de smoor. Net de gevleugelde godin Nike, denkt hij, maar dan wel van gewapend beton! Als ze denkt dat ze me zomaar kan vernederen heeft ze het mis! Ze kan de pot op!

Lander verdwijnt in de kitchenette. Knisperende groentjes en een kruidig bouquet verdrijven zijn bedrukt gemoed. Hij veegt zijn handen aan een theedoek en dekt de tafel. Een kaars en twee wijnglazen geven het geheel een gezellige toets. De kleine satan op de fles Casillero grijnst. De kurk floept uit de fles. Hij vult de glazen, walst en ruikt. ‘Hm… een apart aroma.’
‘Aan tafel schat.’ Zijn woorden klinken ongemakkelijk.
Ze antwoordt niet. Grimmig staart ze voor zich uit. Hij zet zijn glas hardhandig neer en zuigt langzaam lucht op. Latente wrevel borrelt op. Als een razende vaart hij tegen haar uit. ‘Verwend nest! Je denkt alleen maar aan jezelf. Ik ben je egoïstisch gedrag beu.’

Tergend traag hijst Lizelotte zich uit de zetel. Vlammende ogen zoeken zijn blik. Hij ontwijkt ze niet, maar kijkt haar recht aan. Heel eventjes capituleert Lizelotte, recht haar rug en schuift haar kruk onder haar linker oksel.
Lander raast door. ‘Denk je dat het voor mij gemakkelijk is? Ik werk me te pletter: mijn artikels, opzoekingswerk, de was en de plas. Om nog maar te zwijgen van het koken. Zet godverdomme je studie verder in plaats van je kas op te vreten. Maar nee, je wentelt je liever in je miserie: allee, toe, heb nog een beetje medelijden met Lizelotte?’
De lont vonkt, de bom barst! Als gladiatoren staan ze tegenover elkaar. Zij, ondersteund door één kruk. Hij pal naast de tafel. Nijdig omsluit haar hand de beker. Nog één woord, denkt ze.
‘Godverdomme, het is toch …’

Haar vrije arm accelereert. Als een pijl vliegt de theekop door de living. Lander wijkt. Net op tijd! De mok kegelt de wijnglazen omver. Splinters glas kletteren in het rond. De wijn druipt op tafel en stoelen en sijpelt traag op het tapijt. Heel even is de stilte ondraaglijk. Lander grist zijn jas en stormt de kamer uit. De deur vliegt met een smak achter hem dicht. Met vaste pas loopt hij de trap af. Buiten twijfelt hij: links, rechts? Rechts, richting Langestraat! Vastberaden stapt hij de dijk af. Mijn portefeuille? Zenuwachtig tast hij in zijn binnenzak. Oef! Er is volk in ‘Het Manuscript’. Een grote groep rokers staat op het terras voor het café. Lander stapt binnen en sleept een barkruk tot bij de tapkast.
‘Pintje?
Hij knikt.

Het meisje zet hem een biertje voor. Drie mannen hangen zwijgend aan de bar. Het is rustig in het café. De muziek zweeft schemerig door de ruimte. Peinzend tuurt Lander in zijn glas. Het schuim lost op, de pint verschraald.
‘Is er iets?’ vraagt het meisje.
Hij haalt zijn schouders op en antwoordt niet. Zijn zwijgen wordt ondraaglijk, de muziek hinderlijk stil, ook voor haar. Ze zet de muziek harder. Flarden Elvis vullen het café. ‘You are always on my mind.’ Lander pakt zijn pint en schuift naar een tafeltje achteraan. ‘Maybe I didn’t treat you quite as good as I should have.’

Hij vangt de woorden. Ze klitten. Lizelotte zou beter naar dit lied luisteren, denkt hij. Zou ze die woorden wel over haar lippen krijgen? Verdomme, ik geef haar altijd gelijk en nog is het nooit genoeg. Wat doet zij eigenlijk terug? Niets, nothing! Na drie jaar architectuur schortte madam haar studies voor een jaar op. Alles draaide om dans. Een sabbatsjaar, zei ze. Een dansjaar ja! Nijdig schopt hij tegen de tafelpoot. Dat Lizelotte niet voor rede vatbaar was, had hij al genoeg ondervonden! Toen hij haar vertelde dat haar studiebeurs zou wegvallen, haalde ze nonchalant haar schouders op. Een paar dagen later probeerde hij opnieuw, tevergeefs.
‘Ik zal extra lessen geven – we redden het wel – maar, als ik verder studeer mag ik die auditie op mijn buik schrijven.’ Ze viel steeds in herhaling. Argumenteren had geen zin. Hij gaf toe en bleef haar, ondanks alles, toch steunen. Dansen, ja dat was haar dada!

Ze was vier toen ze haar eerste danspasjes in de balletwereld waagde. ‘Lizelotte, dat is tweehonderd procent talent’, wisten ze. Naast haar drukke jeugdactiviteiten bleef ze haar pirouettes trouw. Maar danslessen geven en zelf huppelen en springen zaten er nu niet meer in.
Haar financiële bijdrage strandde op nul. De rekeningen betalen lukte door extra reportages te maken. Een stom accident zette haar op non-actief. Haar dansperspectieven smolten als sneeuw voor de zon. Een paar maandjes gips? Vergeet het. ‘Een complexe dijbreuk – een kurkentrekkerbreuk -‘ zei de dokter, goed voor maanden revalidatie! Ze kon die auditie nu bij ‘The London Dance Academy’ zeker vergeten. Van de drie ballerina’s die geselecteerd werden, was Lizelotte de favoriete. Haar geluk kon toen niet op. Dat ze Lander verwaarloosde merkte ze niet eens. Tot acht uur per dag, ook in het weekeinde, was ze in de dansschool te vinden. Na de training haastte ze zich naar hun studiootje. Een glaasje of een babbel met vriendinnen stond niet meer op haar programma. Nog een pasje of een andere pose uitproberen thuis, ja, dat wel. Lander had alles aanvaard. Hij degradeerde tot chauffeur. Naast zijn drukke job als journalist voor een wetenschappelijk tijdschrift, had hij ook het huishoudelijk werk op zich genomen.

Lander giet zijn pint achterover en vraagt een tweede. Drie meisjes stappen ‘Het Manuscript’ binnen, zoeken een tafeltje, bestellen een drankje.
‘Hé Lander. Alleen? Waar is Lizelotte?’
Verstrooid kijkt Lander op. ‘Ha Mirte.’ Het zint hem niet dat Lizelottes zus hier binnenvalt. ‘In de kortste keren is heel de familie op de hoogte’, bromt hij stilletjes. ‘Lizelotte is moe, ze bleef liever thuis’, jokt hij.
‘Zeg, je zit zo alleen, kom d’ erbij.’ roept ze en schuift meteen haar stoel opzij. Tegen zijn zin vervoegt hij de meisjes. Ze tetteren honderd uit. Plots wendt Mirte zich tot Lander. ‘Dat is toch vreemd, je kon mijn zus toch makkelijk in haar rolstoel meebrengen. Allee jong, er eens tussenuit, het zou haar deugd doen.’

Lander staat recht. Hij gunt Mirte geen blik, betaalt en stapt op. Beduusd kijkt ze hem na. Ze toetst Lizelotte’s nummer in op haar gsm. Geen antwoord. Ze probeert opnieuw. Nog steeds geen contact. Mirte stuift naar buiten. ‘Lander!’ roept ze, maar Lander lijkt opgeslokt in de grauwe massa. Ze zucht en tikt de cijfers voor de derde keer. ‘Toe Lizelotte, neem op’, smeekt ze. De kiestoon houdt aan.

Het is muisstil. Een laatste spat rood drupt op het tapijt. Ontredderd ziet Lizelotte de ravage. ‘Lander… verdomme!’ roept ze woedend. Ze neemt haar andere kruk op, sukkelt tot aan de zetel en opent het venster. Van Lander, geen spoor. De wind jaagt de gordijnen naar buiten. Haar razernij stijgt ten top. Binnensmonds keilt ze hem de smerigste verwensingen toe. Vastbesloten om niet thuis te blijven, zoekt ze haar fleece en smakt op haar beurt de deur achter zich toe. Het verzoeklampje van de lift staat op rood. ‘Godver!’ sakkert ze luid. Groen! ‘Eindelijk!’ De liftdeuren schuiven te traag open, ongeduldig sjokt Lizelotte in de kooi. Eenmaal beneden neemt ze met veel moeite de drie treden. De loodzware deur is haar laatste obstakel. Ze zet zich schrap.

De terrassen zijn verlaten, de snoepstand opgeruimd en de lichten in de Maritza gedempt. Geen kat op de Zeedijk!
De wind mindert, de mist zet op. Met haar krukken sukkelt ze richting strand. Het opgewaaide zand bedelft de schuine helling van de golfbreker. Lizelotte onderdrukt haar angst om te vallen, maar de zee roept… ze volgt. Ze wordt geleid door een onzichtbare hand, net als vroeger, toen ze boos of verdrietig was. Lopen door het mulle zand is aartsmoeilijk. Het wordt donker, de nacht valt snel in dit seizoen. Voorzichtig schuifelt ze over de gladde stenen van de zeebreker. Ze omklemt haar krukken en zoekt vaste grond.

Ze wil zo ver mogelijk in zee, ver van haar klotewereld, haar liefdesleven. Ze wil de zee proeven, de golfslag voelen en luisteren naar het klotsen van de golven. Ze vindt haar afgeplatte steen, haar stek. Met haar krukken tast ze voorzichtig naar het platste plekje. Lizelotte staart naar de grauwe kleuren van wegglijdende wolken. Grijze slierten mist omarmen haar. Haar silhouet vervaagt, lost op in de nevel. Asgrijze wolken omsluiten de horizon. Lucht, zee en Lizelotte versmelten.

Acht was ze, toen ze na een fikse ruzie met haar moeder voor het eerst naar dit plekje vluchtte. Ze was sportief, rad van tong, intelligent, maar zo koppig als een ezel. Die golfbreker was haar slagader en haar zen plekje. Dat de symbiose tussen haar karaktertje, de machtige zee en de zilte lucht haar vroeger volwassen maakte, was maar een idee. Maar toch. De dynamiek van het maritiem geweld brak meestal na een paar minuten haar willetje. Hier werd Lizelotte rustig.

De mist druipt. Lander recht zijn kraag. Zijn geweten sart hem, zijn onrust neemt toe. Hij ademt snel en oppervlakkig. ‘Ik had haar in die toestand niet alleen mogen laten’, denkt hij. Zijn pas versnelt. In paniek stapt hij de Westhelling op. De Zeedijk is verlaten, het Kursaal donker. In de flats flitsen televisieflarden door de kamers. Zijn adem stokt. De ramen van hun studio staan wijd open. Witte gordijnen fladderen spookachtig uit het raam. ‘Nee… nee!’ schreeuwt hij. De doffe klank van de misthoorn galmt mistroostig in de nacht. Als een zot rent hij naar boven. De studio is leeg en… koud.
Wanhopig trommelt hij op de deuren van de buren. ‘Lizelotte?… Niet gezien.’ Hij vliegt de trap af naar het gelijkvloers. Belt aan, geen gehoor, belt opnieuw. De TV brult oorverdovend in de flat. Radeloos beuken zijn vuisten op de metalen deur van het appartement. Geen respons. Hij opent de zware voordeur en verdwijnt in de mist. Door het open raam dansen de witte sluiers een ‘dance macabre’.

De smog valt uit. Haar blonde krullen druipen. Ze draait een lok rond haar wijsvinger en denkt na. Haar woede is over zijn climax. Samen met de terugtrekkende zee ebt ook haar onrust weg. Ze likt haar lippen, smaakt het zilte nat. Het is dat mespuntje zout dat haar kalmeert! Hier ervaart ze rust en berusting. Ze zucht en denkt aan haar moeder, zij liet nooit de moed zakken, ook niet toen ze alles alleen moest beredderen. ‘Moeke, ik zal nooit meer kunnen dansen.’ Lizelotte weent in stilte. Tranen, mist, zee … ze slopen haar koppigheid, die onwrikbare rebelse brok die ze zo moeilijk kan verteren. ‘Ik… we moeten vooruit, Lander heeft gelijk’, ze fluistert het zacht. De golven proeven haar woorden, ze ademt diep in, haar lippen vormen een aarzelende glimlach. ‘Vestus, firmitas, utilitas!’ De drie pijlers van Vitrivius: haar eerste college in Sint Lucas!

Het geluid van gedempte voetstappen op natte stapstenen doet Lizelotte opschrikken. Een vage schim… een vertrouwd silhouet: Lander! Haar hart springt op. Hij wist van haar asielplekje. Ze kenden elkaar toch sinds het eerste kleuterklasje!
‘Lizelotte’, zegt hij teder, ‘gaan we terug?’

EINDE

Fotocover © Arne Deboosere

Dit zijn de foto’s die ingestuurd werden bij het verhaal van Doris Klausing:

Geschreven door:

Doris, met roots in de visserij, is geboren in Oostende in 1946. Na een actieve loopbaan startte ze met het schrijven en vertellen van verhalen voor kinderen en volwassenen, o.a. voor Oostende voor Anker, Toerisme, Erfgoed en Cultuur Oostende. De verhalen sprokkelde ze uit de rijke visserijgeschiedenis om het maritiem erfgoed te bewaren voor de volgende generaties. Naast het verzorgen van lezingen schreef ze ook kortverhalen o.a. 'Opa Zee', 'de Golfbreker', 'De redding v.d. O.185', 'Schuimkoppen tussen eb en vloed'. Haar eerste roman: 'Pekel en Kabeljauw' over het harde leven van de IJslandvaarders eind 19de eeuw verscheen in 2015. In november 2017 komt de 2de roman: 'Tot Elke Prijs' op de markt, een verhaal over 'De Vissersopstand in 1887' te Oostende.