De vrouw in de duinen

Drijfhout is ook deze tweede editie van start gegaan met een speciale iStoires uitgave. Deze keer werd aan Els Snick gevraagd om een verhaal te schrijven dat zich afspeelt in Oostende. De auteur baseerde ‘De vrouw in de duinen’ op een tragische gebeurtenis uit de Oostendse geschiedenis. Het verhaal kreeg een prachtige cover met De Duizeling van Léon Spilliaert en wordt in beperkte oplage gratis verdeeld in Oostende.

Tweeëndertig jaar is Margriet Schyns, een naaister uit Oostende, als ze Octaaf op de kaai staat op te wachten. Ze is die ochtend naar Gent geweest, naar de vrouwenspecialist. Octaaf moet zijn verantwoordelijkheid nemen, zei de verpleegster. Ze moeten het samen aan haar ouders gaan vertellen. Ze durfde niet te zeggen dat ze niet echt een koppel zijn. Dat er nooit sprake geweest is van trouwen of zo.
De dagen zijn rond deze tijd van het jaar op hun langst en Octaafs witte dienstpet glanst in de avondzon als hij haar tegemoetkomt. Dertien jaar ouder is hij, maar nog altijd de mooiste man die ze ooit heeft ontmoet. Groot en trots en vol verhalen over zijn reizen en over zijn tijd onder de wapens, aan het front in Oost-Afrika. En dan heeft hij nog een benoeming als ambtenaar van de PTT op zak en een mooi ingericht appartement op de Nieuwpoortsesteenweg. ‘Heb je een beetje tijd’, vraagt ze. Het is de fractie van een seconde waarin alles nog goed kan komen als hij nu lacht en ja zegt. Maar hij schudt zijn hoofd: ‘Geen tijd, nee. Ik moet er meteen vandoor.’
Octaaf zit die avond met een paar kameraden op het terras van de California, een dancing in de gelijknamige nieuwbouwwijk achter de renbaan. Een grote ronde maan hangt boven de duinen. In de zaal is er een feestje aan de gang. Een groep kunstenaars viert een verjaardag. De schilder Cabisse is er bij, van wie de blote vrouwen op de muren van de California zijn, Mathieu Norman, de schrijver, een paar journalisten ook, een dokter uit Brussel en de zoon van de notaris, die op de piano speelt. Als de deur opengaat waaien flarden vrolijkheid het terras op. Boehoehoe, roepen ze, als kinderen die spook spelen. En de vrouwen tieren erdoorheen. Ineens komt Mathieu Norman het terras opgelopen. Hij puft en hijgt en valt dubbel van het lachen op een stoel. ‘Ik heb haar niet kunnen pakken’, zegt hij, ‘ze is weggelopen voor ik goed en wel iets kon zeggen’. Wyffels en zijn vrienden weten niet wat hij bedoelt. ‘Er spookt hier al de hele avond een geheimzinnig vrouwmens rond, in een wijde cape, ze houdt haar gezicht verborgen achter haar kraag. Precies een spook. Ze stond aan de overkant van de straat onder de lantaarnpaal naar hier te gluren. Ze heeft zeker een pistool onder haar jas verborgen! Ik ging haar vragen of ze misschien haar vent komt zoeken en of ze niet liever binnen wilde komen. Maar ze liep weg, de duinen in.’

Het is woensdag 2 augustus 1933, vijf uur in de ochtend. Een maalboot loopt de haven van Oostende binnen en legt aan voor de Zeevaartstatie. Officier-marconist Octaaf Wyffels neemt de lege radio-accu onder zijn arm en verlaat het schip via de loopbrug. Op de Brandariskaai brengt hij de accu binnen, hij loopt voorbij de Middenstatie en steekt de Kapellebrug over. Ter hoogte van de Coo stopt er een auto vlak naast hem. Twee speurders van de gerechtelijke politie stappen uit.
‘Is er nieuws?’ vraagt Wyffels.
‘Haar lijk werd gisteren gevonden, door spelende kinderen, in de duinen aan de California’ antwoordt een van de speurders. ‘Ge zijt de laatste die haar levend hebt gezien.’

Meer dan een jaar later, op 19 april 1934, beslist een volksjury na een assisenproces van meerdere weken dat Octaaf Wyffels schuldig is aan de moord op Margriet Schyns. Hij krijgt tien jaar, een milde straf: er werd tegen hem geen enkel sluitend bewijs gevonden en het hof hield rekening met zijn verdienstelijke inzet voor het vaderland. Er werden honderddertig getuigen opgeroepen voor het proces dat door het hele land op de voet werd gevolgd. Wyffels had de publieke opinie tegen. De kranten wroetten in zijn privéleven tot niemand nog een schijntje respect voor hem kon hebben. Het verdriet en de woede van de familie van het slachtoffer smeerden ze breed uit. Iedereen bleek te weten dat Wyffels altijd een vrouwenzot is geweest. Volgens Alida Schyns kreeg hij van haar zuster alles gedaan, en had hij haar die avond naar de boot laten komen. Wyffels werd koel genoemd, omdat hij de beschuldigingen met geheven hoofd aanhoorde. Hij bleef herhalen dat hij met de zaak niets te maken had. Vader Schyns zat als een gebroken man in de getuigenbank en snikte dat Wyffels zijn dochter in zijn smerige zaken had betrokken. Margriet wist te veel, over cocaïnetrafiek met Engeland. Wyffels werd hardhandig genoemd. Een vriendin getuigde dat ze ooit een litteken op de arm van Margriet had gezien. Die was met Wyffels een weekend naar de Ardennen geweest, ‘s morgens had ze hem wat zitten plagen terwijl hij de krant wilde lezen, en toen had hij een mes van tafel gepakt en haar ermee verwond.
Ook de kunstenaars die op het feestje in de California waren, getuigden tegen de marconist. Hij wist heel zeker wél dat Margriet daar die avond rondliep, zegt Norman. Hij is hem zelf gaan waarschuwen dat hij moest oppassen, dat ze hem blijkbaar in de gaten hield.
Na de uitspraak buigt Wyffels het hoofd en spreekt tot de volle gerechtszaal: Ik ben niet schuldig. Het ware beter geweest dat ik in de oorlog een kogel door het hoofd had gekregen dan hier veroordeeld te worden voor een misdaad die ik niet bedreven heb. Op een dag zal de waarheid aan het licht komen, al moesten de kraaien het uitbrengen.

Het is oktober 1939. Octaaf Wyffels woont in Gent, bij het gezin van zijn zuster. Na drie jaar van zijn straf te hebben uitgezeten, is hij voorwaardelijk vrijgekomen. Intussen zijn de Duitsers Polen binnengevallen en dreigt een nieuwe oorlog. Hij zal niet worden opgeroepen. Zijn medailles, acht in totaal, mag hij niet meer opspelden. Hij was een man van de wereld, nu is hij niets meer. Zijn uitkering als oorlogsveteraan is hij kwijt. Hij helpt een beetje bij zijn schoonbroer in de winkel in de Sleepstraat, maar meestal slentert hij zomaar wat rond. Nu zit hij al minutenlang te staren naar een envelop. Met een poststempel van Oostende. Zijn handen beven als hij de brief openvouwt.

Waarde Octaaf Wyffels,
Ik heb veel domme dingen gedaan in mijn leven, en veel daarvan spijten mij, maar het meest nog heb ik spijt van wat ik op het proces over u heb gezegd. Ik heb u ten onrechte in een slecht daglicht gesteld, en weet sinds enige tijd met zekerheid dat u geen misdadiger bent. Ik heb Oostende in mei 1936 verlaten en ben als strijder van de internationale brigade naar Spanje getrokken. Omdat ik uit het leger wilde deserteren geraakte ik opgesloten in een gevangenis bij de Franse grens. Ik zat daar samen met een paar andere Vlamingen. Op een avond verklaarde een man uit Leffinge, genaamd Henri Van Borms, onder de invloed van de drank, dat hij de moordenaar van Margriet Schyns was en dat ze u onschuldig in de bak hebben gestoken. Hij wilde inbreken in een van de villa’s bij de California toen hij haar tegenkwam en in zijn auto heeft gesleurd. Terwijl ik hem dat hoorde vertellen wist ik ineens weer dat ik bij de California een auto heb zien staan. Ik heb haar achternagezeten en haar recht in de armen van haar moordenaar gedreven. Van Borms stond in Spanje bekend als een wreedaard, hij beroofde zelfs zijn medegevangenen van hun laatste broodkorst. Ik had ervoor kunnen zorgen dat al die miserie u bespaard werd. U zei het nog: de kraaien brengen het uit. Ik las in de krant dat u weer vrijgelaten bent, maar nog elke dag probeert nieuwe bewijzen te vinden, dat u nog altijd hoopt op een herziening van uw proces en op eerherstel. Ik weet niet of Van Borms nog in leven is, laat staan waar hij nu zou uithangen. U kunt deze brief gebruiken om bij het gerecht eerherstel te krijgen. Misschien geven ze u zelfs schadevergoeding en kunt u herbeginnen met uw leven. U moet weten dat het voor mij is afgelopen. Ik heb in deze wereld te veel onrecht en te veel miserie gezien en ik heb besloten er een einde aan te maken. Vaarwel.
Mathieu Norman.

Wyffels steekt de brief terug in de enveloppe. Hij hoest. Moe en afgeleefd voelt hij zich. Zijn zus kijkt naar hem, zucht en schenkt hem een jenever uit. Hij drinkt van zijn jenever, pakt de enveloppe en steekt ze in de kachel.

EINDE

De Duizeling van Leon Spilliaert

Geschreven door:

Els Snick studeerde Germaanse filologie en geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Gent. Zij doceert Duits en vertaling aan het Departement Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent. In 2011 promoveerde zij op de Joods-Oostenrijks-Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth en zijn bemiddelaars in de Lage Landen. Ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van het overlijden van Joseph Roth richtte zij in 2014 samen met enkele Roth-vrienden het Joseph Roth Genootschap voor Vlaanderen en Nederland op, een zusterafdeling van het Internationale Joseph Roth Gesellschaft in Wenen.