Dodentrap

Zomer 1909

Vijf uur in de morgen. De eerste warme zonnestralen priemen door de ochtendmist. Een in het zwart geklede jongeman stapt doorheen de Kapellestraat.
Slapeloosheid maakten zijn ochtendwandelingen tot een dagelijks ritueel. De frisse zeebries opsnuivend die hem vanuit het zeegat tegemoet waait.

Een parfum dat zijn vader, ‘coiffeur pour dames Leonard-Hubert Spilliaert’, inspireerde tot het creëren van het alras in alle boudoirs van de Europese bourgeoisie zo gegeerde parfum ‘Brise d’Ostende’. Omwille van de exquise geur? Of omdat koning Leopold II het aan zijn vele maîtresses cadeau deed?

‘Allemaal ijdeltuiten’, mijmert hij.

De Grote Zeedijk. Het doel bij die nachtwandelingen van Léon. Vanop de blauwgrijze arduinen trap aan de Vlaanderenramp het fascinerend spel van de golven aanschouwend. Naar de stilte luisterend. Filosoferend. Zijn soms getormenteerde geest de vrije loop latend. Niet zelden met duistere beelden. Tot het gekrijs van hongerige meeuwen hem uit een onbepaald slaapdronken wekt. Mijmerend zittend op zijn trap.
De trap. Zijn geliefkoosde zitje met zicht op zee. Zoveel jaren later zijn laatste visioen bij het wisselen van het aardse naar het eeuwige bestaan.

Zomer 1996

De trap ter hoogte van de Vlaanderenramp die van de inmiddels tot Albert I- promenade omgedoopte Grote Zeedijk naar het strand leidt. Daar, op de derde trede, naast de arduinstenen helling die de uitgelaten kinderen als glijbaan gebruiken, zit Léon. Onzichtbaar voor die vele duizenden Oostendenaren, aangespoelden en toeristen die iedere dag weer langs zijn trap naar het strand afdalen.
Onzichtbaar? Een spook heeft dat voordeel. Hij is er. Niemand die hem ziet noch hoort.

Léon vindt het niet gênant. Integendeel. De vroeger wat miskende, briljante kunstschilder die zijn trap in dreigend zwart met een oranje gekleurde lucht vereeuwigde, geniet terwijl de dag langzaam de nacht verdringt. Ziet een flinke noordwester de golven schuimend uiteenspatten op de dijkglooiing. Staart naar de in zee verdwijnende treden van de trap.

5 uur ’s morgens. Langestraat. Centrum van het bruisende uitgaansleven in Oostende.
Kitcherig en met veel zin voor overdrijving het Montmartre van Oostende genoemd. Zeker nu de vroeger zo florerende nachtbars met hun lokkende rode lichtjes en schaars geklede vrouwen niet langer als uithangbord van het frivole nachtleven der Koningin der Badsteden fungeren. En komen de uit het straatbeeld verdwenen Jantjes, keurig in uitgaansuniform, niet langer met honderden uit de Marinekazerne de Langestraat en omgeving onveilig maken. Hun soldij verbrassend. Meisjesharten sneller laten kloppend. Heibel zoekend met de uit Lombardsijde afgezakte para’s.

Wat nu is, lijkt een flauw afkooksel van weleer. Alhoewel. Het aura van ongebreidelde nachtelijke uitspattingen bleef er hangen. Ook een spookbeeld. 

Uit één van de nog vele bars strompelen twee koppels. Behoorlijk beschonken. Enkele uren eerder kenden ze elkaar nog niet. Vele gin-tonics, afgewisseld met het alcoholrijk Belgisch bier, hielpen de op versiertoer naar de Belgische kust afgezakte Britten John en Jason de harten van de Françaises Carine en Claudine sneller kloppen.

‘Kom, we gaan wat wandelen. Naar de zee. Wat frisse lucht zal ons deugd doen.’

Arm in arm, elkaar overeind houdend, meer strompelend dan stappend, gaat het door de Langestraat naar de Vlaanderenstraat. De niet zo steile klim van de Vlaanderenramp naar de Albert I- promenade heeft voor de kabaal makende nachtbrakers veel weg van een bergbeklimming. Met als toetje de gierende noordwester pal in de neus. Beide vrouwen met hun stiletto pumps in de hand.
John en Jason als kinderen dollend met een God weet door wie verloren bal.

‘Kijk, ik ben David Beckham!’

Jason geeft de bal een flinke lel. Mocht de op de derde trede van de blauwarduinen trap gezeten jongeman geen spook zijn geweest, kwakte het ronde ding pardoes tegen zijn hoofd. Nu verdwijnt de bal in zee. Tot verbijstering van John. Hun speeltje weg. Daar. Drijvend op de wilde golven. Bij iedere golfslag weer uitdagend de dijkglooiing oprollend. Om tergend langzaam terug in zee te verdwijnen. De ladderzatte kompanen aarzelen geen moment. Zij zouden dat balletje wel terug halen.
Hun benevelde geest ziet het levensgevaarlijke ervan niet in. De Françaises blijken al even zorgeloos. Zij zijn tot de vijfde trede van de trap afgedaald. Giechelend. Nagestaard door de holle ogen van het spookbeeld van Léon. De wilde golven reeds aan hun blote, roodgelakte, tenen likkend.
Voortgestuwd door de stroming is het balletje inmiddels enkele meters van de trap weggedreven. Geen nood.

‘Wij zullen je hebben!’

Niet zo heel soepel klimmen John en Jason over de sinds 1860 onveranderd gebleven gietijzeren reling. Dat de dijkglooiing onderaan bedekt is met een laag verraderlijk glad mos zien ze niet. Wat onvermijdelijk moest gebeuren, gebeurt. Met afgrijzen nagestaard door Carine en Claudine, glijden beide Britten onhoudbaar naar beneden. Enkele seconden later verzwolgen door de kolkende golven.
Gefascineerd door het drama dat zich voor hun benevelde geesten afspeelt, dalen ook hun vriendinnen verder de trap af.

‘Niet doen! Gevaarlijk!’, roept Léon hen toe.

Tevergeefs. Hij beseft niet dat zijn spookstem niet door de levenden kan worden gehoord. Tot afschuw van de kunstschilder die de arduinstenen trap ooit een gezicht gaf, verzwelgt de woeste zee ook de twee jonge vrouwen. Vanaf de
Albert I- promenade zien tientallen 
inmiddels toegesnelde vroege wandelaars dat één van de hen zich vastklampt aan haar boven water gehouden stiletto pumps. Als is het een reddingsboei. Claudine en Carine gaan kopje onder…

5u10. Rinkelend glas. Een jogger slaat het venstertje van de fel oranje gekleurde kast met daarin een reddingsboei stuk. Bij het uitrollen van het tientallen meters lange touw, kwetst hij zich aan de scherven. Hij merkt het niet. De adrenaline spuit doorheen zijn afgetrainde lijf. Het bloed sijpelt langs zijn armen.

‘Die mensen redden! Rap! De golven mogen hen niet meesleuren’, flitst het door zijn hoofd.

‘Niets aan te doen. Ik heb er hier al vele tientallen zien verdrinken. De kranten noemen die trap al jaren de dodentrap’, probeert Léon nog. Een spookstem. Niemand die hem hoort. Laat staan hem kan zien.

Geholpen door enkele omstaanders probeert de jogger de af en toe tussen de schuimende golven boven komende drenkelingen de oranje reddingsboei toe te gooien. Stuntelig. Hij mist keer op keer zijn doel. Bij de derde poging krijgt één van de bijna door de zwiepende golven op de dijkglooiing geworpen mannen het lompe ding tegen zijn hoofd. Jason, of is het John, verdwijnt terug in zee. Versuft. De eerste gulpen zout water binnen krijgend. Rochelend en hoestend naar lucht happend. Molenwiekend met de armen zwaaiend. Een vergeefse poging om zijn hoofd toch maar boven water te houden. Tot een grondgolf hem terug onweerstaanbaar naar de diepte sleurt.
Snerpende sirenes van de toegesnelde hulpdiensten laten tientallen nieuwsgierige nachtuilen en andere ochtendmensen naar de trap snellen.
Léon gesticuleert wanhopig om hulp. Maar wie ziet hem? Niemand.

Zich niet om hun eigen gave lijf bekommerend, haasten twee politiemannen zich om de drenkelingen achterna te gaan. Schoenen uitschoppen. Wapengordel weg. Alles in een flits. Een inderhaast aan de reling vastgebonden koord wordt hun navelstreng tussen leven en dood.

Vanuit de verte klinkt het gebrom van de Seaking Rescue helikopter. Drie reddingsboten stuiven van tussen de havenhoofden het zeegat in. De menigte op sensatie beluste ramptoeristen die geen poot uitsteekt om te helpen, kijkt reikhalzend toe. Hun op niets concreets gestoelde commentaren sparen ze niet. Al raken deze kant noch wal. Waarbij hun verbeelding flink op hol slaat. Allemaal denken ze te weten wat hier aan de gang is. Verhalen die ’s anderendaags de op sensatie beluste krantenkoppen zullen halen. Verzinsels van fier als een pauw op de foto pronkende zelfverklaarde ooggetuigen. Maar alleen de holle ogen van Léon zagen het gebeuren. Ogen van een spook.

‘Ze houden het niet langer vol. We kunnen niet wachten tot de Seaking heli of één van de reddingsboten ze bereikt. We moeten handelen. Nu!’

Een politieman wikkelt het aan de reling vastgebonden reddingstouw rond zijn midden. Onder de ogen van tientallen omstaanders springt hij de drenkelingen achterna. Eén enkeling applaudisseert voor zoveel bravoure. Onnozelaar.

Haar rode pumps nog steeds vastklemmend, hapt Claudine wanhopig naar lucht telkens de golven haar even boven water stuwen.

‘Dit is het einde. Ik ga sterven’, beseft de vrouw wanneer ze weer onder water wordt gezogen. De kracht van de zee. Daar kan ze niet tegenop.

Verdoofd door telkens weer tegen de dijkglooiing te worden geworpen, zien Claudine, Carine, Jason en John hun nog prille leven als een 3D-film aan hun ogen voorbij gaan. Zich niet bewust dat moedige politiemensen en brandweerlui intussen proberen hen uit de mensen vretende zee te redden.
Beelden die zich als bliksemschichten opvolgen. Fel. Onsamenhangend. Tegelijkertijd rustgevend. Alsof ze reeds in hun bijna dood situatie hebben berust. Zich amper nog verzettend tegen de kracht van de zee. Tegen het onvermijdelijke.

De zee die niet verzadigd geraakt van menselijke offers. Geen onderscheid maakt tussen zeelui of toeristen. Hoeveel vissers en baders sleurde ze reeds in hun zeemansgraf?
Hoeveel zich bij vloed op de dijkglooiing en met mos begroeide, naar het strand leidende, trappen wagende nachtelijke feestneuzen bekochten dit niet met hun leven?

‘Tientallen. Ik zei het reeds. Maar jullie horen mij niet. Dit is de dodentrap!’, probeert een wild gebarende Léon de omstaanders te vertellen. Woorden in de wind. Spookbeelden in het ijle.

5u20. Tien minuten. Langer is het niet geleden dat het viertal in zee gleed. Voor Jason, John, Claudine en Carine een eeuwigheid. Geen van hen die er zich van bewust is dat de kolkende golven hen bijna compleet alle kledij hebben afgerukt. Niets of niemand is tegen zo’n kracht van het water bestand. Er rest ze hooguit een doorweekt slipje. Wat malen ze erom. Hun leven. Daar vechten ze voor. Wild spartelend. Af en toe met liters zeewater vermengde lucht inslikkend. Om het in een onbewuste reactie hoestend weer uit te braken. Zich niet bekommerend om telkens weer pijnlijk tegen de onderste treden van de trap te stoten. Klaar voor wat hun van alle alcoholdampen ontnuchterd brein reeds als onvermijdelijk heeft aanvaard. Geofferd aan de dodentrap.
Vier drenkelingen. Evenveel speelballen van de ziedende golven. Niet bewust dat de hulpdiensten hun eigen leven op het spel zetten om hen te redden.

De ontketende zee toont ineens mededogen. Als een onzichtbare hand werpt een gigantische golf één van de bewusteloze Britten in de armen van de hem achterna gedoken politieman. Weinige seconden later hijst zijn op de dijkglooiing gebleven collega hem en Jason op het droge. Een toegesnelde politievrouw begint de strijd tegen de dood. Klopt Jason met beide vuisten op de borst. Drukt haar lippen op zijn mond. Haar levenskus. Niet beantwoord door de naakt op de grond liggende man.
Nog een verwoede poging. Hamerend op zijn borstkas. Lucht inblazen op de mond. Zijn levensgeesten terug opwekken. Hoe dan ook. Gelukt!
Zijn longen spuwen liters zeewater, braaksel en wat hem nog in de maag reste van bier als een fontein uit. Uitgeput zijgt de politievrouw neer. Het MUG-team neemt over. Léon knikt tevreden…

Voor John, Carine en Claudine ziet het er met de seconde benarder uit.
De politieman die Jason redde, springt terug de woelige zee in. Als een katapult stuwt de meer dood dan levende John uit het water. Opgeworpen door een zoveelste aanrollende grondgolf. Handen grijpen hem nijpend vast. Hij beseft niet waarom. Panikeert. Rukt zich van zijn redder los. Op zijn beurt wordt de politieman naar de bodem van de zee gezogen. Instinctief grijpt hij om zich heen. Zijn handen vinden eerst Claudine, dan Carine.

‘Niet loslaten. Volhouden’, flitst het door zijn hoofd.

Nog zo’n monstergolf stuwt het drietal metershoog boven de schuimtoppen uit. Als dolfijnen in een show. Onzacht, maar als bij wonder, smakken ze op de dijkglooiing neer. Aangestaard door de tot een massa aangezwollen menigte nieuwsgierigen. Enkelingen aarzelen niet om samen met brandweerlui de redders te helpen.
Weer herhaalt zich het onwezenlijk gevecht tegen de dood. Met succes. Beide vrouwen komen terug tot leven. Zien alles in een waas rond zich. Beseffen niet dat ze aan het ergste zijn ontsnapt. Ze worden met spoed naar het ziekenhuis overgebracht.

Weinige minuten later weet een in duikerspak gestoken brandweerman ook John uit de woeste zee te redden. Hij ziet blauw. Totaal onderkoeld. Geen vierkante centimeter van zijn naakte lichaam dat niet is gekwetst door de vlijmscherpe rotsblokken aan de voet van de trap. Maar levend.

‘Ik zag de man niet meer. Tot ik in een visoen besefte waar hij zich onder water bevond. Pal onder die laatste traptrede. Onwezenlijk’, geeft hij zijn relaas.

Achter zijn rug staat Léon fijntjes te glimlachen. Hij, het spook van de trap, dirigeerde de redder naar de drenkeling. Het blijft zijn geheim.

5u35. Het lawaai van de sirenes is verdwenen. De Seaking Rescue heli keert naar zijn basis terug. De reddingsboten draaien nog enkele rondjes op zee. De Albert I- promenade loopt leeg.
Grote plassen water. Verpakkingen van injectienaalden. Enkele bloedvlekken. Wat braaksel… Stille getuigen van het zoveelste drama aan de dodentrap. Meer niet. Wachtend tot de vroege ploeg van de reinigingsdienst alles komt opkuisen.
De menigte toeschouwers is verdwenen. Om hun relaas van het gebeuren te doen aan kranten, voor televisiecamera’s, aan vrienden en familie. Hun rol in de reddingsoperatie overdrijvend. Of verzwijgend door zij die geen hand uitstaken. De overgrote meerderheid dus.

Maanden later worden de om hun moed en zelfopoffering geprezen politiemensen en brandweerlui op het stadhuis gehuldigd. Met een mooi diploma, blinkend ereteken, een bemoedigend schouderklopje, een foto voor de krant en een glaasje goedkope Cava.

‘Proficiat…!’

2017

Zoek vandaag het spookbeeld van Léon niet langer op de derde trede van de dodentrap. Het is al lang geen dodentrap meer. Vanuit de zee onttrokken miljoenen kilo zand temden de zee en de mensen verzwelgende trap. Ook bij de zwaarste storm geraken de golven niet meer bij de half onder het zand bedolven blauwarduinen trap. De eens zo beruchte dodentrap leeft nog enkel in herinneringen voort. Spookbeelden.

EINDE

De baadster / Léon Spilliaert

Geschreven door:

Geboren (1943) en getogen Oostendenaar opteert hij aanvankelijk voor een carrière als officier bij het Belgisch Leger (Pantsertroepen). Tot zijn reeds van jongsaf borrelend schrijversbloed hem laat postuleren voor een job in de journalistiek. Als één van de weinige beroepsjournalisten werkzaam voor zowel de Nederlandstalige (Het Laatste Nieuws) als Franstalige (Le Soir) nationale pers specialiseert hij zich in de maritieme en juridische berichtgeving. Zo brengt zijn militaire know-how hem o.m. voor Le Soir naar de Golfoorlogen waar de Belgische Marine actief is. Maar zijn Oostende vergeet hij nooit. Met soms kritische, veelal opbouwende, berichtgeving. Toerisme, cultuur en gastronomie spelen hierbij een hoofdrol. Auteur van twee sprookjes, ontstaan als bedverhalen voor zijn kleinkinderen: "Langsnuit en de Zeesterren" en "Saar en het Vliegend Tapijt". Dodentrap is zijn eerste kortverhaal.