D’Ostende

Vicky liep langs de rustige straten van Oostende. Van het station naar de Kapellestraat. Langs de vele winkels. De markt vulde het Wapenplein waardoor de kiosk moeilijk te zien was die in het midden van het plein stond.
‘Wilt u wat bloemen kopen?’, riep een vrouw. Ze had een groene schort rond haar heupen waaruit een schaar stak.
‘Neen dank u’, zei Vicky en schudde met haar hoofd. Ze wilde heel graag bloemen kopen, maar ze had geen geld bij. Ook kon ze bloemen amper levend houden. Ze gingen vaak veel te vlug dood. Dus had ze besloten alleen nog maar valse bloemen te kopen.

Ze liep naar de Brabantstraat. Aan het einde van de straat liep ze naar de Nieuwstraat en liep zo door tot ze aan de Visserskaai kwam. Ze zag wat verder het staketsel. Het lag er verlaten bij en ze besloot haar wandeling daar verder te zetten. Eens op het staketsel stopte ze wanneer ze bijna aan het einde was en ging tegen de leuning staan.

Vicky hield haar handen stevig tegen elkaar. De ijzige zeewind blies door haar dunne jas waardoor ze hem steviger rond haar lichaam wikkelde. Ze keek naar de open zee en ademde diep in zodanig dat haar longen gevuld werden met frisse en nieuwe lucht. Vicky sloot haar ogen en liet de zonnestralen op haar huid branden.

Het staketsel lag er verlaten bij. Ook het strand was een hoopje zand op een paar mensen na. Sommigen hadden de koude zomerochtend getrotseerd en liepen op de dijk of het strand. Ze voelde het hout onder haar voeten langzaam bewegen en draaide zich om. Een jongen van ongeveer vijf jaar oud liep over de houten planken. Zijn haren lagen naar achter alsof hij ze juist met water had natgemaakt. Zijn korte broek kwam juist tot boven zijn knieën en zijn trui was een combinatie van witte en blauwe strepen. Hij keek met wijde ogen naar beneden. Zijn kleine handen samengevouwen. Hij keek op en riep: ‘Mama kijk.’

Vicky keek op. Haar ogen belandden op een wat chiquer geklede vrouw. Haar zalmroze jurk kwam bijna tot aan de grond. In haar ene hand had ze een paraplu vast die ze over haar hoofd had geslagen al waren haar haren al bedekt met een brede hoed, versierd met kleurrijke bloemen. De vrouw wandelde langzaam over het staketsel. Er kwam een lach op haar gezicht wanneer het kleine jongetje voor haar stopte en zijn handen opendeed zodat ze kon ziet wat er in lag.
‘Voor jou mama.’
‘Voor mij?’, vroeg ze in een hoge toon. ‘Dank je wel lieverd.’ Ze hurkte en deed haar handen open zodanig dat de jongen zijn, wat leek op een kleine witte steen, in haar handen kon leggen.

Op dat moment zag Vicky de jongen voorbij de vrouw kijken en roepen: ‘Papa’. De vrouw verschoot en liet de steen op de planken vallen. Ze stond op en draaide zich met een ruk om. Haar lach werd breder en haar ogen begonnen te sparkelen. De jongen die voor zijn moeder zat was al opgestaan en zette het op een lopen. Vicky keek verder langs het staketsel, maar ze zag niemand. De jongen die ze daarjuist had zien lopen was verdwenen. Ze gleed met haar ogen terug naar waar de vrouw stond, maar ook die was weg. Alsof alles wat Vicky had gezien een droom was.

Vanuit haar ooghoek zag ze iets blinken. De witte steen die de vrouw had laten vallen lag tussen twee planken. Vicky wist even niet wat te denken. Waren de mensen die ze daarjuist had gezien echt of had ze die allemaal gedroomd. En hoe kwam het dat ze nu die steen nog altijd zag die de jongen had gedragen.

Ze liep naar de steen toe en nam hem van de grond. Hij voelde licht en koud aan. Haar vingers gleden over de gladde oppervlakte. De zon begon feller op haar blote huid te branden. De geluiden rond haar werden luider en feller. Vogels vlogen in de lucht. De planken onder haar voeten begonnen te daveren.

Ze keek op en zag dat het staketsel, dat daarjuist nog leeg en verlaten was nu volliep met mensen. Ze waren allemaal chique gekleed. De mannen droegen hun beste pak, hadden een bolhoed op hun hoofd en af en toe zag je een wat oudere man met een stok rondlopen. De vrouwen hadden allemaal jurken aan. De één wat mooier dan de ander waardoor je zag wie er meer geld had.

Vicky observeerde elke persoon die ze met haar ogen ontmoette en besefte pas toen dat ze de kleine jongen aan het zoeken was. Maar die was nergens meer te bekennen. Niemand keek in haar richting. Niemand gaf haar enige aandacht. Vicky begon rond zich te kijken. Draaide zich naar het strand. Ze klemde haar handen over de pas geverfd uitziende leuning van het staketsel en leunde naar voren. Het daarjuist lege strand stond nu vol met wit en rood gestreepte cabinetjes. Ook in de zee hadden de mensen hun cabinetjes geplaatst zodanig dat ze er aan de kant op konden zitten met hun benen in het water. De mensen zagen er gelukkig uit. Anders, levendiger.

Vicky liet haar ogen over het strand glijden en stopte bij een klein meisje dat samen met haar grote zus een zandkasteel bouwde. Vicky herinnerde zich hoe ze zelf met haar kleine zus op het strand speelde. De leuke tijden die je had wanneer je naar het strand ging. Zwemmen in het water. Putten graven in het zand. Het kleine meisje schepte met haar beide handen zand en gooide het op de grote berg die tussen de twee meisjes lag. Beiden hadden ze een kapje over hun hoofd om zich tegen de felle zon te beschermen.

Vicky rukte haar ogen weg van de meisjes en keek naar de zee. Voorbij de cabinetjes en de mensen die in de zee zwommen. Naar de horizon, waar de zon elke avond achter verdween. Vicky sloot terug haar ogen. Wikkelde haar armen om haar lichaam heen.

Het geluid rond haar werd zwakker. Het geluid van de kinderen die speelden verdween. Toen ze haar ogen opende was het strand dat daarjuist vol zat, terug leeg. De mensen die achter Vicky over het staketsel wandelden waren weg en ze stond terug alleen. Ze voelde de ijzige wind weer onder haar jas komen. Ze kneep haar handen tot vuisten. Ze stopte en opende haar hand. Ze zag de witte steen liggen. Het wit van de steen zag er grijzer uit. Donkerder. En het voelde zwaarder aan. Comfortabel.

Vicky begon te lachen. Ze wist niet waarom, maar het gaf haar een licht gevoel. Een fris en nieuw gevoel. Ze legde haar vingers over de steen en voelde de oppervlakte tegen haar huid wrijven. Ze keek op en staarde naar de open zee. Het enige in de hele wereld dat er nooit anders zou uitzien.

EINDE

Fotocover © Natalie Luys

Dit zijn de foto’s die ingestuurd werden bij het verhaal van Karen Taelman:

Geschreven door:

Karen Taelman woont al haar hele leven in Oostende. Lezen was altijd al een grote hobby en een paar jaar geleden nam ze zelf ook de pen in de hand en begon ze in haar vrije tijd te schrijven. Daarnaast is Karen kinderverzorgster.