Duizelend in de nevel

Die nacht droomde ik voor het eerst sinds lang. Het is een mysterie of ik in die andere wereld mijn huidige leeftijd had of 15 was, zoals toen ik Oostende voor het eerst alleen aandeed, maar ik reisde er in elk geval heen zoals 20 jaar geleden. Achteraan in een lijnbus, hoger gezeten en met rust gelaten, een dreinende motor onder me die me in een soort lethargie bracht, onderging ik op de Torhoutsesteenweg de met mondjesmaat toegediende introductie tot de kuststad. Door de grote ramen van ons voertuig nam ik de luifels van de allochtone groentewinkels in me op, de lichtreclames van de pittabars, de flaneurs van divers pluimage, de ietwat verpauperde middenstand met hun ouderwets aandoende uitstalramen. Ik dompelde me onder in de vergetelheid van deze stedelijke taferelen, ruilde hiervoor met plezier de dodelijke verveling in van het voorstedelijke eiland waaruit ik afreisde. 

Dit Oostende, deze vermaledijde stad, verboden terrein omdat… ja, waarom eigenlijk? Een thuishaven voor heel wat familieleden, maar tot de ziel ervan kon ik moeilijk doordringen: noch tot die van de stad, noch tot die van de verwanten.
O ja, als pretstad had ik ‘La Reine’ wel rijkelijk geconsumeerd. Oostende: haar ciné Rialto, haar strand, haar Langestraat, haar oktoberfoor. Haar Beach Rock, haar theater De Illusie, haar Theater Aan Zee. Monumenten met veel patina, met glorie die hier en daar vergaan was, en lange tijd kwam ik niet veel verder dan dit obligate lijstje. Gesloten, als de schelp van een te gespierde mossel, gaf de stad haar geheimen niet prijs. Haar ware aard lag versluierd onder de brede lanen, verborg zich achter de façade van de historische gebouwen. Toch kon ik niet begrijpen waarom mijn verwekkers deze stad hadden ontvlucht, deze broeiende, boeiende stad waarvan ik de steedse geschiedenis dan wel in boeken kon opzoeken, maar waar de familiegeschiedenissen altijd in nevelen gehuld bleven.

Met een schok kwam de lijnbus tot stilstand, klaar om mij uit te braken. Mijn blik haakte zich los van de bewasemde ruiten – blijkbaar was ik al een tijdje gestopt met observeren.

Ook buiten zette de stad mij op het verkeerde been. Ze omsingelde mij met een typische kuststeedse nevel, een grijze soep waarin je seizoenen noch voorbijgangers kan herkennen. De kleurrijke Torhoutsesteenweg was verworden tot een vaag schilderij. Mijn wereld had zich vernauwd tot die van mijn gedachten, en die waren op dat moment donkerder dan ik voor lief had. Ik vluchtte Mu.Zee binnen.

Ik verloor me er in de vleugel van Ensor en Spilliaert in geschiedenissen met veel meer betekenis dan ocharme die van mijn familie. Ik doolde in de parfumwinkel met de flesseltjes, in de schelpenwinkel, verpoosde samen met de schilders aan de oude Kursaal, droomde weg bij videobeelden van een steeds opnieuw terugvlietende zee, vermaakte me er met een toespraak van Ensor in het dialect, over wuuvetjes die hij tegenkomt op straat en het Oostende dat hij nooit zou verlaten. Hulde aan deze man, de maskerman.

En er was schilderkunst natuurlijk, geestesverruimender dan eender welk roesmiddel. Ik slenterde van het ene naar het andere werk en dan, plots, was er dat ene donkere kunststuk van Spilliaert dat mijn aandacht volledig vastkluisterde: De Duizeling. Een ranke vrouw lijkt een trappenpartij met gigantische treden op te stappen, en toch slaagt ze erin dat elegant te doen. Maar vergis je niet: dit is een vrouw van stavast. Ze is in staat je de weg te versperren, ze kijkt – ja zelfs in die donkere vlek ontwaar ik een gezicht – ze kijkt naar de einder, terwijl ze de rookpluim achter de top van de trappenpartij probeert te negeren. Achter haar is vast en zeker iets vreselijks gebeurd, maar dit is een fiere en moedige vrouw. Niet voor niets is ze van de zee, ze kent het fatalistische en tegelijk rustgevende. Ze heeft al eerdere drama’s meegemaakt, maar ze laat zich niet van haar stuk brengen. Er ligt iets achter haar, zowel figuurlijk als letterlijk, dat nog nasmeult: een neergestort vliegtuig, of haar in brand gestoken koffer, als straf voor haar zonden als vrijgevochten vrouw, maar ze krijgen haar niet klein. Nee, ze kijkt wel nog even om, maar dit is voor haar een te verwaarlozen incident. Straks zet ze verder de gigantische stappen om de top te bereiken, de twee volgende tredes zijn trouwens minder hoog, en dan is ze er vandoor, springt ze van de top af, of begint ze de rotzooi op te ruimen. Daar kan je vanop aan.

En dan gebeurt het plots en zie ik mezelf terug in beeld verschijnen. Of beter, lijk ik zelf in het beeld te verdwijnen. Het is alsof ik mijn hoofd voel groeien ten opzichte van de afbeelding. Mijn ogen puilen uit en raken het doek haast. Traag zie ik alles voor me kantelen en begint het schilderij op zijn beurt te groeien, tot het levensgroot is, en hoewel ik het enkel nog in de achtergrond kan waarnemen, merk ik dat hele museum aan het draaien is, tot het verdwijnt in een zwart gat en het schilderij me helemaal omgeeft. Ik sta nu naast de vrouw op de trap in het schilderij, maar ze merkt mij niet op.

Ik weet niet wat er gebeurt, ik kijk om me heen, spreek al mijn zintuigen aan. Ik ben duidelijk aan de zee, dat ruik je, en er staat een lichte wind, het motregent, de kleur is grijsgroen, alles is grijsgroen. Het is avond zoals het alleen in Oostende avond kan zijn. Ik hoor de ringen van een vlag tegen de mast tikken, ik zie lichtjes aan de einder in de zee, aan de andere kant zie ik in de verte de zeedijk in een vaalgeel licht.

Ik monster nu ook mijn onmiddellijke omgeving. De vrouw beweegt niet, het tafereel is bevroren door de schilder, en ik kijk verder, langs de trappenpartij waar ik op sta naar beneden en ik schrik van de grote hoogte: ik kan de basis van de trappenpartij niet zien. Verder zie ik niets buiten de zee, lichtjes aan de einder en de dijk. Net zoals de vrouw sta ik met mijn benen op twee verschillende treden, de trede is zeker een halve meter hoog, en daarom schrik ik als ik naar beneden kijk, want plots besef ik de kwetsbaarheid van mijn positie, de wind zou mij zomaar ineens kunnen omstoten. Verder is er geen levende ziel, niemand schenkt ook maar enige aandacht aan mij, voor de vrouw ben ik er niet eens. Het water klotst, daar diep beneden, en de meeuwen vliegen wel voorbij maar ze krijsen niet eens, waarom zouden ze ook. Maar gelukkig kan ik het vasteland zien: de dijk, baken van licht.

En dan begint de trappenpartij te varen. Traag schrijden we door het water.

Aan land zie ik Spilliaert dwalen. Hij, notoir slechte slaper, dwaalt ’s nachts rond, ziet in het donker zaken die er overdag niet zijn. Te veel licht laat de fantasie immers niet toe deze dingen te zien. Er is de verdoving van het slaaptekort, en er is de magie van de nacht, en van de eenzaamheid, en van de winterkoude waar je tegen vecht, en van al dat anonieme leven dat de zee maakt, dat nooit aflatende kabaal.

Terwijl Spilliaert in de Langestraat wandelt – afwisselend zichtbaar en verborgen achter huizen – vaar ik in dezelfde richting verder naar de Visserskaai. Door de volgende dwarsstraat van de Langestraat verschijnt Spilliaert terug in mijn blikveld – ik heb geen idee of ik in 2017 of in 1946 ben, maar het is in elk geval het Oostende zoals ik het ken. Spillaert stapt stevig door, of nee, nu houdt hij halt. Daar ligt mijn nicht, het gezicht onherkenbaar, een laken op het lichaam, maar toch weet ik dat zij het is. Er is verder niemand in de buurt. Voor enkele seconden tilt Spilliaert haar hoofd op. Hij kijkt alleen maar, lijkt na te denken wat hij hiermee aanmoet, maar hij lijkt te beseffen dat hij niets meer kan veranderen aan de loop der dingen. Hij moet observeren en de beelden meenemen. Dat is het lot van de schilder. Ook ik op mijn varende trap ben nieuwsgierig, wil dichterbij om het hele verhaal te kennen, maar op dezelfde manier besef ik dat ik niet aan land kan, het is al te laat. Spillaert legt het hoofd zacht terug neer en stapt verder, net zoals mijn vaartuig verder vaart en de kaap van het Zeeheldenplein rondt, en daar zit Spilliaert nu achter een schildersezel. Geconcentreerd kijkt hij naar mijn grootvader die daar is opgedoken. De stootkar staat schuin achter hem, het is oorlog, hij is visventer en tracht een ton uit het water op te vissen.

De trap krimpt. We varen dichterbij, maar mijn grootvader werkt onverstoorbaar verder. Mijn varende trap komt tot stilstand en ik daal af. De wind en de motregen zijn gaan liggen. Kalm en behoedzaam passeer ik de onbeweeglijke dame. Ik ga op de rand van de onderste trede zitten, tracht zijn blik te vangen. Met een flinke haal haalt hij de ton boven. Grote streulen zeewater klateren van het touw af in het water. Deze man is verbazend sterk voor een zeventigjarige – zo herinner ik me hem en het is dat gezicht dat hij vandaag draagt.

Zonder mij aan te kijken steekt hij van wal. ‘Weet je, toen ik jouw leeftijd had, stelde ik me vele vragen. Een daarvan was of het allemaal iets te betekenen had. Of iemand mij de weg kon wijzen, of iemand raad had voor mij.’

‘Reeds vele jaren ben ik dood, reeds vele jaren blijf ik enkel nog leven in de verhalen die men over mij vertelt. Wat je vandaag meemaakt, is ook een verhaal. Wat is echt, wat is droom? Eigenlijk doet het er allemaal niet toe. Het gaat maar om wat je ermee doet.’

‘En wat er werkelijk van tel is? Dat is het leven van alledag. De weg die je aflegt. Misschien moet je daar gewoon niet te veel over nadenken.’

En toen was alles plots voorbij. In gedachten verzonken tuurde ik even naar de horizon. Toen ik mijn blik terug richting het plein zwenkte, was het leeg. Spilliaert en mijn grootvader waren verdwenen. Op het Zeeheldenplein waren rode Rock Strangers opgesteld. Dit was 2017.

Het motregende opnieuw en het woei. Op het plein viel me alleen – opnieuw – dat vreemde gele schijnsel van de straatverlichting op. Maar ik was alleen. Misschien was ik zelfs thuis in mijn bed.

Alsof het een uitschuifbare brandweerladder was, werd het vaartuig met de trappen terug groter, veel groter nog dan het daarvoor was geweest, maar het verontrustte mij niet. De treden waren manshoog, ik moest veel spierkracht gebruiken om mezelf erop te hijsen, maar het deerde me niet. De vrouw was verdwenen.

We voeren langzaam terug naar onze beginpositie. Het begon licht te worden. Ik zat op de top van de trappenpartij en kon Oostende nu goed overschouwen. Her en der brandden er al wat lichtjes, werden ontbijten op tafels geschoven, reden de eerste auto’s rond. Ik stelde me geen vragen meer, voelde me rustig en begon naar beneden te kijken, overwegend hoe ik hier af zou geraken.

Naar beneden kijkend, voelde ik me duizelig worden. Het leek alsof mijn hoofd naar beneden gezogen werd, en hoezeer ik me ook schrap zette, ik slaagde er niet in me tegen die beweging te verzetten. Rond me werd alles eerst grijs en dan donker. Geluiden werden dof en verstomden dan, alsof er een kanon naast mijn oor was ontploft en ik mijn gehoor had verloren. Alles rond me bewoog razendsnel, het draaide, ik zou mijn bewustzijn verliezen, ik vermocht er niets tegen. Tijdens de paar seconden die het duurde, daagde het me al snel dat dit een droom was. Dit was niet echt mijn lichaam, maar enkel een sensatie, en plots was het alsof ik op mijn rug op een koude vloer lag, en ja, het was echt zo. Dat besefte ik toen ik mijn bovenlichaam ontspannen maar verwonderd oprichtte. De koele vloer was aangenaam en deed me goed. Ik zag opnieuw dat schilderij voor me, De Duizeling. Ik kon me er nu wel iets bij voorstellen.

‘Gaat het?’, vroeg een suppoost, die bij me neerknielde. Ik probeerde te begrijpen wat er gebeurd was. ‘Het gaat’, antwoordde ik bevestigend. In mijn hand stak mijn telefoon, met een bericht van mijn vrouw met de vraag of ik terug naar huis wilde komen.

EINDE

De duizeling / Léon Spilliaert

Geschreven door:

Pieter De Groote (34) woonde korte tijd in Oostende, maar blijft er steeds naar terugkeren. Hij is verzot op de geur van vers drukwerk en de magie van een goed boek.