Eindstation Oostende (25 augustus 1997)

Hij schoof zijn leeggegeten bord een weinig van zich af, leunde met een zucht achterover en legde voldaan zijn handen op zijn buik. Vandaag had hij voor de eerste keer sinds lang een betaalde dagtaak uitgeoefend, en daar was hij uitermate tevreden over. Als beloning had hij zichzelf eindelijk nog eens een deftige maaltijd gemaakt. 25 augustus 1997 was het begin van zijn neergang geweest; was vandaag dan het begin van zijn wederopstanding?

Hij keek de keuken rond en sloeg door de deuropening de belendende woonkamer gade. Wat een rotzooi: vuile vaat van een week oud op het aanrecht, lege pizzadozen op de salontafel, geplooide en gescheurde stukken krant, rondslingerende kleren, een door fruitvliegjes omsingelde vuilnisemmer… Nee, sinds hij zich hier een paar weken geleden tijdelijk had gevestigd, had hij zich laten gaan, maar hij zou het vanavond niet aan zijn hart laten komen. Hij had een verzetje wel verdiend!

Hij keek nog eens rond zich, nu met een meer onderzoekende blik. Waar zou die ouwe ergens nog een fles hebben verstopt? Hij woonde dan wel al even in dit huisje van zijn overleden grootvader in Oostende maar deed er nog elke dag op de meest bizarre plekken een vondst. Meer nog, hij had de dagelijkse zoektocht naar drank verheven tot een speels ritueel. Dat was ook zowat de enige routine, want als nieuwbakken vrijgezel slaagde hij er niet meer in om op gezette tijden te eten of te slapen. Hij ruilde zijn dagen steeds vaker in voor nachten, viel enkel onder verdoving van voldoende rode wijn in slaap en als hij dan op was, gaf hij zich er vaak pas na uren rekenschap van dat hij enkel maar voor zich uit had zitten staren, de zaken uit het verleden overpeinzend.

Maar vandaag dacht hij even niet aan zijn persoonlijke verwaarlozing. Vandaag betekende voor hem een nieuw begin! Hij had terug werk, en dan nog wel bij het Oostendse MU.Zee, een museum met werken van onder andere zijn favoriete schilder Leon Spilliaert. Dat was een gunstig voorteken. Hij moest de komende tijd op zijn elan verdergaan, het huis opruimen én zijn leven terug in eigen handen nemen. Maar nu eerst: tijd voor een glas! Hij schonk zichzelf in, zakte achterover in de sofa, legde zijn handen in zijn nek en staarde tevreden naar het plafond.

Toen even later, op een kleine meter van hem vandaan, een meeuw buiten op de raamdorpel kwam zitten, keek hij op. Hij zette het glas aan zijn lippen – buiten viel de schemering in – en overschouwde door het raam het decor van zijn jonge jeugdjaren. Recht voor hem: zijn vroegere ouderlijke huis. Daarnaast: de vroegere woonst van nonkel Gilbert, tante Edith en zijn nichtje Bianca. Zij was even oud geweest als hem, was met voorsprong zijn favoriete nicht geweest en bovendien zijn eeuwige compagnon, zowel in de klas als daarbuiten. Ze waren kind aan huis bij elkaar, speelden samen op straat, trokken met hun ouders naar het strand of op reis. Daar was na die noodlottige 25 augustus 1997 echter allemaal een eind aan gekomen. Ze waren een jaar of zeven geweest toen het mysterieuze ongeval van zijn nicht zich had voorgedaan en daarna was niets meer hetzelfde. Zijn ouders waren verhuisd naar een grotere woning tien kilometer landinwaarts, zijn tante en nonkel zochten het in een naburige kustgemeente. Het contact werd nooit meer zo nauw of zo hartelijk als ervoor. Zijn grootvader bleef bovendien alleen in dit huisje achter.

En nu leerde hij Oostende na al die jaren terug kennen als toevluchtsoord, niet alleen om te wonen, maar sinds vandaag ook om er te werken.

Hij zakte terug in de sofa en knipte een schemerlamp aan.

Hier na al die jaren terugkomen was hem goed bevallen. Hij herinnerde zich hoe hij zich hier vroeger, als tiener op bezoek in de stad, in haar anonimiteit had ondergedompeld. Hij ruilde hiervoor toen met plezier de dodelijke verveling in van het voorstedelijke eiland waarnaar hij met zijn ouders was verkast. Zij hadden hem Oostende altijd als een vermaledijde stad voorgesteld, als ‘eindstation Oostende’. Maar toen hij er later tegen beter weten in op verkenning ging, wilde hij maar niet begrijpen waarom zij deze stad waren ontvlucht. Deze broeiende, boeiende stad waarvan hij de steedse geschiedenis dan wel in boeken kon opzoeken, maar waar die mysterieuze zondagmiddag in 1997 in nevelen gehuld bleef. Hij kon moeilijk doordringen tot de ziel ervan: noch tot die van de stad, noch tot die van de verwanten die hij over die dag aan de tand voelde. O ja, als pretstad had hij ‘La Reine’ rijkelijk geconsumeerd. Oostende: haar ciné Rialto, haar strand, haar Langestraat, haar oktoberfoor. Haar Beach Rock, haar theater De Illusie, haar Theater Aan Zee. Monumenten met veel patina, met glorie die hier en daar vergaan was, maar lange tijd kwam hij niet veel verder dan dit obligate lijstje. Gesloten, als de schelp van een te gespierde mossel, gaf de stad haar geheimen niet prijs. Haar ware aard lag versluierd onder de brede lanen, verborg zich achter de façade van de historische gebouwen. En hetzelfde gold voor de dood van zijn nicht.

Ongeveer na het derde glas, toen het buiten helemaal donker was geworden, versomberde zijn stemming terug. Hoe was hij toch in deze situatie terechtgekomen? Sinds de begrafenis van zijn grootvader een aantal maanden geleden was hij in een vicieuze cirkel terechtgekomen. In de kerk had hij tante Edith en nonkel Gilbert na vele jaren nog eens teruggezien. De wonden die sinds 1997 moeizaam waren geheeld, waren sindsdien weer helemaal open. Hij had nooit geweten wat er precies was gebeurd, daar op het schip van zijn grootvader. Ze waren nog maar net vertrokken –  het schip was nog geen meter van de kaai verwijderd – toen Bianca achter hem overboord was geslagen. Hij had zijn nicht nooit meer teruggezien. Zijn grootvader was vanachter het stuurwiel gekomen en had hem meteen van het tafereel weggesleurd, hem toeschreeuwend dat hij naar binnen moest gaan. Daar was hij ook gebleven, de hele tevergeefse reddingspoging van zijn grootvader lang, tot het voor het schip vol stond met toegelopen kijklustigen en zijn vader hem was komen halen om naar huis te gaan.

Ook achteraf werd hem nooit echt verteld wat er gebeurd was. Hij wist dat zijn lievelingsnicht, toen net als hem een jaar of zeven oud, voortaan ‘een sterretje aan de hemel’ was, maar voor de rest hadden de volwassenen uit zijn familie hem steeds voor de – blijkbaar al te gruwelijke – details behoed. Als het al te pijnlijk was voor hen, dan zeker voor hem als kind. Ook met zijn grootvader slaagde hij er niet in om daarover een gesprek aan te knopen, ook niet toen hij ouder en mondiger werd en op steeds vertrouwelijker voet met hem kwam.

Het gebeuren had tot op vandaag een enorme indruk op hem nagelaten. Dat kwam niet zozeer door hetgeen hij gezien had – welbeschouwd hád hij ook helemaal niets gezien – maar vooral door de enorme consternatie op de kaai, de huilende vrouwen en mannen, het stilzwijgen in de jaren daarna. Onder het onuitgesproken taboe voelde hij een enorme onderhuidse deining, alsof op het verhaal een elektrische hoogspanning rustte en de volwassenen het daarom gevaarlijk vonden om hem daarmee te doen omgaan. Maar door hem van het verhaal uit te sluiten, sloot men hem ook uit van de rouw. Hij kropte zijn verdriet op, wilde al die trieste volwassenen niet nog meer tot last zijn met het zijne.

Was het zijn schuld geweest? Had hij iets kunnen doen of had hij beter moeten opletten? Zijn tante en nonkel waren altijd erg vriendelijk tegen hem, misschien zelfs nog vriendelijker dan tegen de andere neefjes, maar hij kon zich niet van de indruk ontdoen dat hun blik daarbij altijd treuriger stond dan bij anderen, dat zijn verschijning ook de pijnlijke herinnering aan hun overleden dochter terugbracht. Hij voelde zich een zwart schaap met een witte vacht. Hoe verder de jaren vorderden, hoe meer het schuldgevoel zich in hem opstapelde. Een verkeerd uitgedraaide grap op school, een gebroken raam, zijn vader die een auto-ongeval had toen hij hem naar het voetballen bracht, een verprutst herexamen, een sollicitatie-afspraak die zijn moeder had geregeld maar waar hij nooit was opgedaagd… Zelfs al had niémand hem aangewezen, toch nam hij steeds de schuld op zich. En op den duur lokte de ene mislukking de andere uit. Nog tot ver in zijn twintiger jaren, toen hij steeds vervaarlijker te werk ging in relaties en werk en zichzelf steeds meer verwaarloosde, ondervond hij zo het sneeuwbaleffect van dat noodlottige ongeval.

Alles veranderde toen hij Annick was tegengekomen. Ach, Annick. Haar frivoliteit, haar frisse verschijning, haar voortdurende enthousiasme in alles wat ze ondernam, deden zijn sombere buien verdwijnen als sneeuw voor de zon. De historie uit zijn jeugd en alles wat erop was gevolgd verdwenen naar de achtergrond zonder dat hij het er ooit met haar over had gehad.

Tot ongeveer drie maanden geleden dus, tot de begrafenis alles weer had opgewoeld, hij kort daarna zijn werk had verloren en met Annick steeds hoger oplopende ruzies kreeg. Te langen leste hadden ze samen besloten dat hij voor onbepaalde tijd alleen in het leegstaande huisje van zijn grootvader zou gaan wonen.

Annick… hij wist niet of en hoe alles tussen hen nog terug goed zou komen. En hoe meer hij van de zware rode wijn dronk, die door grootvader in een ongebruikte kast was vergeten en lang had liggen rijpen, hoe heviger hij ernaar verlangde om haar terug te zien. Vooraleer hij stommelend en sakkerend zijn bed opzocht, verdoofde hij zich verder met de rest van de fles.

Die nacht droomde hij voor het eerst sinds lang. Hij werd teruggekatapulteerd naar zijn vijftiende levensjaar, toen hij Oostende voor het eerst alleen aandeed. Achteraan in een lijnbus, hoger gezeten en met rust gelaten, een dreinende motor onder zich die hem in een soort lethargie bracht, onderging hij op de Torhoutsesteenweg de met mondjesmaat toegediende introductie tot de kuststad. Door de grote ramen van zijn voertuig nam hij de luifels van de allochtone groentewinkels in zich op, de lichtreclames van de pittabars, de flaneurs van divers pluimage, de ietwat verpauperde middenstand met hun ouderwets aandoende uitstalramen. Toen de bus hem even later uitbraakte, zette de stad hem op het verkeerde been en omsingelde hem met een typische kuststeedse nevel, een grijze soep waarin je seizoenen noch voorbijgangers kan herkennen. De kleurrijke Torhoutsesteenweg was verworden tot een vaag schilderij. Binnengevlucht in Mu.Zee verloor hij zich in de vleugel van Ensor en Spilliaert, doolde er in de parfumwinkel met de flesseltjes, in de schelpenwinkel, verpoosde samen met de schilders aan de oude Kursaal, droomde weg bij videobeelden van een steeds opnieuw terugvlietende zee… En in schilderkunst natuurlijk, geestesverruimender dan eender welk roesmiddel. Hij slenterde van het ene naar het andere werk toen plots dat ene donkere kunststuk van Spilliaert zijn aandacht volledig vastkluisterde: De Duizeling.

Hij zoog het tafereel gretig in zich op: een ranke vrouw lijkt een trappenpartij met gigantische treden op te stappen, maar ze slaagt er toch in dat elegant te doen. Ze kijkt naar de einder, terwijl ze de rookpluim achter de top van de trappenpartij lijkt te negeren. Achter haar is vast en zeker iets vreselijks gebeurd, maar dit is een vrouw van stavast. Niet voor niets is ze van de zee, ze kent het fatalistische en tegelijk rustgevende. Straks zet ze verder de gigantische stappen om de top te bereiken, en dan is ze er vandoor, springt ze van de top af, of begint ze de rotzooi op te ruimen.

Toen werd achter hem een deur geopend en  scheen er een helle lichtflits op het in donkere tinten geschilderde gezicht. Hij stond als aan de grond genageld. Die contouren, die lippen, die ogen…Het leek wel een volwassen versie van Bianca! Een vrouw die het ongeluk had overleefd en niet gestorven was, een weerzien na jaren waar hij nooit meer op had durven hopen! Hij voelde zich gloeien over zijn hele lijf, keek Bianca diep in haar ogen en voelde zich tegelijkertijd ontredderd, verlegen en diep gelukkig. Hij wilde verdwijnen, verdwijnen in dit moment en het eeuwig vasthouden.

Hij voelde zijn hoofd groeien ten opzichte van de afbeelding. Zijn ogen puilden uit en raakten het doek bijna. Ook het schilderij begon te groeien, tot het levensgroot was, en hoewel hij het enkel nog in de achtergrond kon waarnemen, merkte hij dat hele museum aan het draaien was, tot het verdween in een zwart gat en het schilderij hem helemaal omgaf. Hij stond nu naast Bianca op de trap in het schilderij. Hij was niet langer meer in het museum.

Hij wist niet wat er gebeurde, keek om zich heen, sprak al zijn zintuigen aan. Hij was duidelijk aan de zee, dat rook hij, en er stond een lichte wind, het motregende, de kleur was grijsgroen, alles was grijsgroen. Het was avond zoals het alleen in Oostende avond kan zijn. Hij hoorde de ringen van een vlag tegen de mast tikken, hij zag lichtjes aan de einder in de zee, aan de andere kant zag hij in de verte de zeedijk in een vaalgeel licht. Hij monsterde ook zijn onmiddellijke omgeving en keek verder, langs de trappenpartij waar hij op stond naar beneden en schrok van de grote hoogte: hij kon de basis van de trappenpartij niet zien. Net zoals Bianca stond hij met zijn benen op twee verschillende treden met een hoogteverschil van minstens een halve meter. Dat besef deed hem schrikken, want hij voelde zijn eigen kwetsbaarheid: de wind zou hem zomaar kunnen omstoten. Verder was er geen levende ziel. Het water klotste, daar diep beneden, en de meeuwen vlogen wel voorbij maar ze krijsten niet eens, waarom zouden ze ook.

Hij keek terug naar Bianca, zag hoe ze naar hem glimlachte en nam haar bij de hand – spreken deed ze niet. Beneden aan de trappenpartij tufte het vertrouwde schip uit hun kindertijd, met grootvader aan het roer, op hen af. Ze daalden samen de trappenpartij af en sprongen voorzichtig aan boord. Na korte tijd varen arriveerden ze aan de plek aan de kaai waar het ongeval zo vele jaren geleden was gebeurd. Grootvader begon het schip te laveren tot tegen de kaai, en toen het vaartuig ongeveer op een meter van de wal was genaderd, voelde hij zich in een flits terug zeven jaar en herinnerde zich de lucht, de kleuren, de geuren, zijn stemming van toen. Hij hoorde een plons – alles ging erg snel en hij was Bianca uit het oog verloren – opnieuw.

‘Bianca!’ Hij besefte dat hij haar, net als zoveel jaar geleden, was kwijtgespeeld. In de grootste paniek draaide hij zich om naar zijn grootvader en schreeuwde.

‘Uit de weg!’, schreeuwde die terug en stormde met grote passen op hem af, in een fractie van een seconde beseffend dat hij door zijn stuurpositie te verlaten de verkeerde keuze had gemaakt. ‘Godverdomme’, tierde hij. ‘Ze komt tussen wal en schip terecht!’ Maar het was al te laat: het schip bonkte tegen de kaai. Grootvader sleurde hem mee de stuurhut binnen, stuurde het schip terug van de wal af en stormde even snel als hij gekomen was terug naar de plaats waar Bianca van dek was geslagen. Maar het was tevergeefs en dat wist hij. Het gehuil van zijn grootvader, een basstem die hevige hoge uithalen maakte als van een wolf, ging door merg en been.

Dus dat was er gebeurd.
En anders dan al die jaren geleden, was hij daar nu wel deelgenoot van.
Hij huilde nu zelf ook hartverscheurend en moest zijn blik afwenden, niet meer bij machte nog iets te zien.

Toen hij na lange tijd terug tot zichzelf kwam, was grootvader verdwenen en het gehuil verstomd. Het was stil en hij was alleen. Het regende pijpenstelen en het woei nu, veel harder dan daarnet.

Met het schip begon hij, alleen deze keer en verdwaasd van verdriet, aan de terugreis. Terug van keerpunt Oostende naar de trappenpartij. In de verte, aan land, zag hij Spilliaert dwalen. De schilder, notoir slechte slaper, dwaalde vaak ’s nachts rond, zag in het donker zaken die er overdag niet zijn. Te veel licht laat de fantasie immers niet toe deze dingen te zien. Er is de verdoving van het slaaptekort, en er is de magie van de nacht, en van de eenzaamheid, en van de winterkoude waar je tegen vecht, en van al dat anonieme leven dat de zee maakt, dat nooit aflatende kabaal.

Terwijl de schilder in de Van Iseghemlaan wandelde – afwisselend zichtbaar en verborgen achter de gebouwen – voer hij zwijgend op zijn schip in dezelfde richting terug richting de Kursaal.

Door de volgende dwarsstraat van de Van Iseghemlaan verscheen Spilliaert terug in zijn blikveld. Hij stapte stevig door, of nee, nu hield hij halt. Daar lag zijn nicht op een lijkbaar, geparkeerd aan de kant van de weg. Voor enkele seconden tilde Spilliaert haar hoofd op. Hij keek alleen maar, leek te beseffen dat hij niets meer kon veranderen aan de loop der dingen. Hij moest observeren en de beelden meenemen. Dat was het lot van de schilder. Zelf wilde hij eveneens dichterbij om afscheid te nemen, maar ook bij hem sijpelde het besef door dat te laat was. Spillaert legde het hoofd zacht terug neer en stapte verder.

Hij voer langzaam terug naar zijn beginpositie, tot bij de trappenpartij uit het schilderij van Spilliaert. De treden waren manshoog, hij moest veel spierkracht gebruiken om zichzelf erop te hijsen, maar het deerde hem niet.

Het begon licht te worden. Hij zat op de top van de trappenpartij en kon Oostende nu goed overschouwen. Her en der brandden er al wat lichtjes, werden ontbijten op tafels geschoven, reden de eerste auto’s rond. Hij stelde zich geen vragen meer, voelde zich rustig en begon naar beneden te kijken, overwegend hoe hij hier af zou geraken.

Plots voelde hij een felle pijnscheut in zijn buik. Hij kromp ineen en voelde zich duizelig worden. Het leek alsof zijn hoofd naar beneden gezogen werd, en hoezeer hij zich ook schrap zette, hij slaagde er niet in zich tegen die beweging te verzetten. Rond hem werd alles eerst grijs en dan donker. Geluiden werden dof en verstomden dan, alsof er een kanon naast zijn oor was ontploft en hij zijn gehoor had verloren. Alles rond hem bewoog razendsnel, het draaide, hij zou zijn bewustzijn verliezen, hij vermocht er niets tegen.

Hij gaf over in een nachtemmer, draaide zich om en sliep verder.

Een tweetal uren later werd hij wakker op de vloer in de kamer van zijn grootvader – beneveld door de wijn moest hij in de verkeerde kamer gesukkeld zijn. Verbouwereerd keek hij naar twee afbeeldingen aan de muur: eentje van zijn grootmoeder toen ze zijn leeftijd had – wat een gelijkenissen met Bianca! En daarnaast een afbeelding van De Duizeling.

Hij hoorde een biepje. Op zijn telefoon stond een bericht waarin Annick vroeg of hij terug naar huis wilde komen. Hij griste de twee afbeeldingen van de muur, gooide ze in zijn eigen slaapkamer op het bed en begon zijn koffer te pakken.

EINDE

De duizeling / Léon Spilliaert

Geschreven door:

Pieter De Groote (34) woonde korte tijd in Oostende, maar blijft er steeds naar terugkeren. Hij is verzot op de geur van vers drukwerk en de magie van een goed boek.