Geen licht zonder donker

Oostende 1929
Mijn vrouw heeft iets met huizen, ik niet. Ze is zo blij als een mus met onze verhuizing naar de Smet de Naeyerlaan, ook Madeleintje vindt het nieuwe huis geweldig. Rachel heeft al honderd keer gezegd dat het hier zoveel klaarder is dan in de Euphrosina Beernaertstraat, dat alles zo ruim en comfortabel is. Het is dan ook een splinternieuw huis, nog geen jaar oud en ontworpen door een moderne architect, Albert Devreese. De woonkamer is op de eerste verdieping  en door de halfronde erkerramen stroomt het zonlicht van ‘s morgens vroeg tot ver na de middag volop naar binnen. Er wordt hier veel gebouwd in onze nieuwe straat, nog een paar jaar tegen dat ritme en het staat vol tot aan de brug. De mensen noemen die brug nog altijd de ‘Tettenbrug’ naar de rondborstige engelenbeelden die op de pijlers stonden, maar die zijn in de oorlog spijtig genoeg verdwenen. Gesmolten om er kanonnen van te maken, zeggen ze. Hoe je zo met kunst kunt omspringen!

Als Rachel blij en content is, ik ook, voor mij maakt het niet echt veel uit waar we wonen, als ik maar rustig kan werken. Daarvoor heb ik zelfs al dat licht niet nodig, ik hou van het halve duister. Met die bouwwerken is het soms wel moeilijk om hier op mijn gemak te tekenen of te schilderen, dan vlucht ik naar het Maria Hendrikapark of zoals ze hier zeggen, Het Bosje. Ik moet maar de straat oversteken en ik ben er. 

Dat er hier in de buurt zoveel bomen zijn, vind ik fantastisch, veel belangrijker dan het huis zelf. Bomen leven langer dan mensen, ze horen de klok niet tikken. Ze helpen iemand die zo astmatisch is als ik om beter te kunnen ademen. De zee is daarvoor natuurlijk ook goed, maar als ik lang naar dat oneindige water kijk, lijkt het alsof ik er voor altijd in zal verdwijnen.

Ik heb schrik van de zee en toch hou ik van haar, vooral ’s nachts.

Overdag de bomen, ’s nachts de donkere zee, dat is mijn wereld. 

Rachel vindt het raar dat ik na zonsondergang zo graag op de dijk loop, maar ik slaap heel slecht en dat donkere gat met die verre lichten van boeien en schepen inspireert me. Meestal ben ik daar helemaal alleen, zelfs in de zomer. De zeldzame mensen die ik tegenkom, kijken me niet aan, hun blik op oneindig en de wallen onder hun ogen vertellen me dat ook zij ’s nachts liever alleen zijn met de zee. Soms heb ik mijn schetsboek en mijn zwarte, blauwe en rode potloden bij me, en in het schaarse licht van de Koninklijke Gaanderijen ga ik dan op een bank zitten en zet een paar lijnen op papier die ik later kan uitwerken met inkt, aquarel of pastel.

Elke dag is een gevecht met het papier, nooit kan een tekening of schilderij worden wat je voor ogen had toen je eraan begon. Dat is beangstigend en tegelijk troostend en er zijn maar weinig mensen die dat begrijpen. 

Ik werk zonder verpozen, maar of de mensen mijn werk kopen of niet, interesseert me nog altijd niet. De laatste tijd verkoop ik nochtans veel en dat is goed voor mijn gezin. Ik wil dat Rachel en Madeleintje niets tekort komen. Voor mezelf heb ik weinig nodig, tenzij werkmateriaal. De geur van pastels, gouaches, potloden, aquarel, het is een van de weinige dingen die me echt gelukkig maken. Er zijn jaren geweest dat niemand iets van me kocht. De mensen vonden mijn werk te somber, maar hoe kan je in zulke onrustige tijden als de onze vrolijke tafereeltjes schilderen? Ik maak wat ik ben, in mijn werk zoek ik naar wat voor mij de waarheid is en die ligt elke dag op straat of kijkt me aan vanuit de spiegel. Portretten teken ik graag, maar echt gelijkend maak ik ze niet, mensen zijn raadselachtig, ik begrijp mezelf ook niet goed. Als ik mijn donkere houtskool zelfportretten van vroeger bekijk, voel ik wel opnieuw hoe eenzaam ik was vóór Rachel in mijn leven kwam.

In mijn dromen kom ik nog vaak in het huis met de vele spiegels in de Kapellestraat, mijn ouderlijk huis. Het geurt er naar ‘Brise d’ Ostende’, mijn vaders creatie die zelfs koning Leopold geregeld bij hem kwam kopen, misschien om er zijn baard mee te parfumeren of wie weet voor Blanche, zijn favoriete minnares. Ik werkte er in een kleine, halfduistere kamer achter het kapperssalon en dwaalde door Oostende zonder echt doel, maar ten prooi aan duizenden indrukken die me moe en neerslachtig maakten en me vooral naar mijn zwartste potloden en houtskool deden grijpen. 

Ik liep er verloren en toch bleef ik gehecht aan Oostende. Het is alsof alles wat daarna kwam, Brussel, Parijs, het zuiden, niets meer was dan een intermezzo om weer hier neer te strijken. Ik ga nog wel geregeld naar Frankrijk, waar ze trouwens vroeger dan hier mijn werk apprecieerden, maar altijd keer ik terug. Moet ik terugkeren.

Het wrede spel van de wind, de gestrande schuiten, de vissersvrouwen die over zee staan uit te kijken naar hun mannen die misschien nooit terugkeren, de baadsters, de dames met hun spichtige hondjes, de nachtelijke dronkaard met zijn hoge hoed, het licht en de schaduwen van het aan- en afrollende water, zij bevolken mijn papier in grijs en zwart, zij zijn het Oostende waarin mijn donker spiegelbeeld past.

Sinds Rachel mijn vrouw is en zeker sedert de geboorte van ons Madeleintje is dat veranderd. Rachel heeft ook vaak sombere buien, maar zoals zij en onze dochter mijn leven kleur geven, zo kleuren zij ook mijn werk, samen met de landschappen en bomen van overdag.

Portretten van Madeleintje tekenen en schilderen vind ik het fijnste wat er is in het leven en al van toen ze nog heel klein was, houdt ze van poseren. Met haar pop, haar breiwerk, met bloemen in de hand of een zwierige hoed op haar goudblonde haren is ze in alles het tegengestelde van de donkere figuren uit mijn vroegere werk. Niet dat ik de nacht nu helemaal kan missen of dat ik geloof dat het met de wereld vanzelf wel goedkomt, maar om Madeleintje en Rachel gelukkig te maken, zou ik alles doen.

Zoals nog maar eens verhuizen dus.

Het aantal huizen waarin ik gewoond heb, kan ik niet meer tellen. Alleen al hier in Oostende is dit ons vierde adres in zeven jaar. Soms denk ik dat Rachel eigenlijk liever in Brussel was blijven wonen, maar als ik ernaar vraag, zegt ze van niet. We trouwden in volle oorlogstijd en het was veiliger een paar maanden na ons huwelijk uit Oostende te vertrekken. Maar toen we Madeleintje kregen en die afschuwelijke oorlog eindelijk voorbij was, wilde ik zo vlug mogelijk terug naar hier. Onze dochter was net vier toen we een huis vonden in de Peter Benoîtstraat en ze was meteen verliefd op de zee. Door haar blauwe kinderogen leerde ik eindelijk anders naar dat oneindige water te kijken, toch bij klaarlichte dag.

Rachel was onrustig.

Rachel heeft iets met huizen, zoals ik al zei. Of ook wel iets tégen huizen.

Het ging snel.

1922. Peter Benoîtstraat 19. Een van die hoge huizen van vóór de oorlog, toen iedereen die in zo’n huis woonde, zich nog een hele staf personeel kon veroorloven. Véél te groot, vond Rachel.  Na een jaar wilde ze er weg.

1923. Amsterdamstraat 1. Daar bleven we vijf jaar, maar toen zag Rachel dat mooie huis met uitzicht op het Leopoldpark te huur staan en dus verhuisden we weer. Dat ze in de Euphrosina Beernaertstraat depressief zou worden van het gebrek aan daglicht, had niemand verwacht, zijzelf zeker niet. De donkerte sleepte haar mee en ze kwam bijna haar bed niet meer uit. Toen hoorde ik van de bouwwoede aan het Bosje en een paar maanden later konden we al intrekken in dit nieuwe huis, Graaf de Smet de Naeyerlaan 68. Niet alleen met ook een uitzicht op een park, maar vooral met een zee van licht binnenin. En het is mei, er zijn overal tere groenen, het lis en de rietkraag in de vijvers van het Bosje krijgen nieuwe scheuten die al boven het wateroppervlak uit komen piepen en ik kan haast niet wachten om ze te schilderen in doorschijnende aquarel of hun licht te vangen in korrelige pastels.

Ik heb me zelden zo hoopvol gevoeld, zo vol verwachting. Ik voel me anders dan anders, ik lijk wel zo licht als dit huis of misschien als de zeeblauwe ogen van Madeleintje. Ik leg mijn vrolijkste kleurenpalet klaar en neem me voor zelfs ’s nachts mijn zwarte potloden thuis te laten.

Mei 1932, drie jaar later.
We gaan verhuizen, liever vandaag dan morgen. Naar de Poststraat. Geen huis met uitzicht op bomen, geen nieuw huis, geen woonkamer badend in het licht. We nemen wat we kunnen krijgen, als het maar snel gaat. Rachel is in alle staten. Ik begrijp haar paniek, maar het had veel erger kunnen zijn, we zijn tenslotte alle drie ongedeerd. Alleen Madeleintjes piano is volledig vernield. Ze houdt niet op met huilen en wil niet meer naar binnen. Ze zou hier nooit meer kunnen slapen, snikt ze, ze zou altijd bang zijn.

Rachel is niet bang, maar razend kwaad. Op de architect, op de aannemer, op de bouwwerken rondom, op de voorbijrijdende auto’s en trams, op alles en iedereen die ze verantwoordelijk acht voor wat er gebeurd is. Wat er de oorzaak van is dat in een huis van amper drie jaar oud de zoldering van de woonkamer zomaar naar beneden komt, of wie daar ook maar iets kon aan doen, ik heb er geen idee van, maar dàt is dus precies wat er eergisteren in ons huis gebeurd is. Het moet ergens tussen twee en vijf uur in de namiddag geweest zijn. Ook de buren hebben niets gehoord, ze waren net als wij niet thuis. Toen we terugkwamen van ons bezoek aan tante Madeleine, leek het alsof er een bom was ingeslagen. De ravage was enorm. De gang beneden zag er nog redelijk normaal uit, maar was volledig bedekt met een wit poeder. Rachel zei nog iets over mijn atelier, ze dacht aan rondstuivend pastelkrijt, vroeg of de deur misschien was blijven openstaan. Toen we een paar seconden later op de trap het stof onder onze voeten hoorden kraken, wisten we dat er meer aan de hand was. De deur naar de woonkamer wilde niet open, pas na veel duwen kreeg ik ze op een kier. Wat we toen te zien kregen, tart alle verbeelding. Brokstukken kalk en gesplinterd latwerk, enkele gebroken vazen die door het vallend plafond van de schouw en de kasten waren gemaaid, overal lagen stukken porselein en glas, het water van de bloemenvaas op tafel vormde een plas die over de rand naar beneden droop. Boven Madeleintjes piano (of wat daarvan overgebleven was) gaapte een groot gat in het plafond. In het midden waar de kroonluchter hangt, waren er nog stukken blijven zitten, maar vanaf het rozet liepen barsten in alle richtingen, de ene al wat breder dan de andere, het leek een kwestie van seconden vóór ook daar stukken naar beneden zouden komen. Madeleintje begon te gillen, Rachel en ik stonden aan de grond genageld en konden geen woord uitbrengen. Ik kon alleen maar denken wat een geluk het was dat we niet thuis waren toen het gebeurde. Het eerste wat ik deed was mijn armen om het huilende kind slaan en haar gezicht aan mijn borst drukken zodat ze niet meer kon kijken. Toen keek ik naar Rachel. Ze stond nog altijd stokstijf en met open mond naar de verwoesting te staren, alsof ze in een nachtmerrie was terechtgekomen en wachtte tot ze wakker zou worden. Een paar seconden later begon ook zij te huilen, stil, haar snikken bleven steken in haar keel en ze sloeg eventjes haar arm rond mij en onze dochter, maar liet dan weer los. Enkele korte woorden klonken hees tussen het snikken door.

‘Ik moet weg. Ik moet hier weg. Weg!’

Ze draaide zich om en liep de trap af, naar buiten. Ik volgde haar zo snel als mogelijk met Madeleintje aan de hand, doodsbang dat ze in haar paniek de straat zou oversteken zonder te kijken.

Het was een prachtige dag, zo’n dag in mei waarop er al een sprankel zomer te zien is terwijl het licht nog zo pril is als op een pas geschilderde aquarel. Rachel keek niet op of om en liep haastig in de richting van het centrum. Pas aan de Kapellebrug kon ik haar inhalen.

‘Waar loop je naartoe? Rachel, luister, we gaan naar tante Madeleine en bespreken daar rustig wat we moeten doen.’

Ze luisterde niet en liep door, straat in, straat uit alsof ze plots de weg niet meer kende in Oostende. Ik volgde haar op enkele passen afstand. Onze tocht deed me denken aan de vele rondzwervingen die ik vroeger in Oostende maakte, zonder doel. Maar na een tijdje merkte ik dat haar omzwervingen niet zomaar lukraak gekozen waren, ze volgde een patroon dat langs al onze vorige adressen in de stad liep! Pas toen ze bij het huis aan het Leopoldpark kwam, bleef ze abrupt stilstaan en begon hartverscheurend te huilen.

‘Waarom zijn we hier weggegaan? Waarom? Waarom?’, hoorde ik tussen haar snikken door.

Omdat je hier zo neerslachtig werd, dacht ik, maar dat kon ik natuurlijk niet zeggen. Voorzichtig legde ik mijn arm om haar schokkende schouders. Dat kalmeerde haar een beetje, maar ze hield niet op met huilen. Madeleintje duwde haar hand in die van haar moeder en legde haar hoofdje tegen haar borst. Ze glimlachte zwak door haar tranen heen. Ik probeerde haar met woorden te troosten, zei dat die zoldering wel hersteld kon worden, dat we nog nergens zó graag hadden gewoond, dat het tegen de zomer zeker weer ons eigen zonnig nest zou worden. Ik praatte maar door, zij zei geen woord en liet zich willoos leiden door het park in de richting van tante Madeleines huis in de Aartshertoginnestraat. Niets zag ze van de prachtige lentedag, terwijl bloemen haar anders altijd blij maken, zelfs in haar zwartste uren. Ze had geen oog voor de pas aangeplante borders met rode en witte begonia’s rond de muziekkiosk, ze merkte de werklui die aan de horloge schitterende zomerbloeiers aan het planten waren zelfs niet op, terwijl ze anders vaak een praatje met hen maakt om van alles over bloemen en planten te leren. Ze leek helemaal weggezakt in een donker gat dat ik helaas maar al te goed herkende. Aan de post staken we de straat over, ik haakte haar arm stevig in de mijne en sleepte Madeleintje zowat achter ons aan.

Plots bleef ze staan. Op de hoek van de Poststraat en de Aartshertoginnestraat hing een bordje ‘TE HUUR’. Het bleek te slaan op nummer één van de Poststraat, een smal, donker huis met hoge, smalle ramen. Het bordje vermeldde een veel te hoge huurprijs en ‘ONMIDDELLIJK VRIJ’.

Het leek alsof Rachel wakker werd. ‘We nemen het’, zei ze kordaat. Ik was te verrast om meteen te antwoorden. Nu was het Madeleintje die begon te huilen, terwijl Rachel eindelijk kwaad werd in plaats van verdrietig. Haar gescheld op de architect vond ik beter te verdragen dan haar tranen. We sukkelden tot bij tante Madeleine. Toen we vertelden wat er gebeurd was, kon ze het nauwelijks geloven, maar aan Rachel en Madeleintje zag ze wel dat het waar was.

We bleven bij tante Madeleine slapen. Ik dacht nog dat Rachel de volgende dag zou willen meedenken over een oplossing om in het lichte huis te kunnen blijven, maar ze wilde er niets meer over horen. Tegen de middag had ze het huis in de Poststraat al bezocht en was haar besluit genomen. We zouden er zo gauw mogelijk intrekken, in ons vijfde huis in Oostende.

Ik stribbelde niet tegen.

Mijn vrouw heeft iets met huizen.

Ik niet.

EINDE

Boomtakken / Léon Spilliaert

Bronnen

  • Bezoek aan Spilliaerthuis en Mu-Zee
  • Boeken (geraadpleegd in Mu-Zee)
  • Adriaens –Pannier, Anne. Léon Spilliaert, of de schoonheid van een wijs hart. (Pandora / Ronny Van De Velde, Antwerpen, 1998.) Hierin vond ik de vermelding van het ingestorte plafond. Andere bronnen hierover vond ik helaas niet (noch in De Plate, noch in Archief Oostende) vanwege het verlies van de meeste archiefdossiers in 1940.
  • Legrand, Francine-Claire. Léon Spilliaert in zijn tijd. (Lannoo, 1981)
  • Catalogus tentoonstelling: Léon Spilliaert, onbekende werken. Imelda Art Gallery N.V., Knokke-Heist, 2000
  • www.oostende.be

Leon Spilliaert woonde in Oostende achtereenvolgens in de Kerkstraat (als baby), in de Kapellestraat (ouderlijke huis; vernield 1940), tegelijk tijdelijk kortstondig atelier zolderverdieping pand hoek Visserskaai/Nieuwstraat.

  • 1917 : Sint-Jans-Molenbeek, Zwarte Vijverstraat
  • 1917 : Sint-Jans-Molenbeek, Begijnenstraat
  • 1922 : Oostende, Peter Benoitstraat 19
  • 1923 : Oostende,Amsterdamstraat 1
  • 1928 : Oostende,Euphrosina Beernaertstraat 58
  • 1929 : Oostende,Graaf de Smet de Naeyerlaan 68
  • 1932 : Oostende,Poststraat 1
  • 1935 : definitieve verhuizing naar Brussel, Washingtonstraat 107
  • 1942 : Brussel: Alfons Renardstraat
Geschreven door:

Studeerde Germaanse talen (UGent, 1967 – 1971), werkte als leerkracht Nederlands, Engels en Cultuurproject in het secundair onderwijs in Mere (1971-1996 en 2001-2005) en was coördinator van Canon, de Cultuurcel van het departement Onderwijs (1996 – 2001). Ze volgde de opleiding ‘Literaire creatie’ in Ieper (2006-2010) en schrijft proza en poëzie. In 2008 publiceerde ze in eigen beheer 'Het Witte Kind, Lieva’s verhaal' en in 2011 een bundel korte verhalen 'En Altijd Alleen'. In 2013 verscheen haar romandebuut 'Koningin voor één dag' bij uitgeverij Van Halewyck. Binnenkort (2017) verschijnt haar nieuwe roman. Ze is getrouwd met kunstenaar-graficus Roland De Winter, moeder van vier dochters en oma van acht kleinkinderen.