Jongenseer

Twee weken na het voorval met de Dikke begaven wij ons opnieuw naar het Bosje. Het was een gewone grijze zaterdagmiddag: wat voor kunst- en vliegwerk wij ook zouden aanwenden om wat leven in de brouwerij te brengen, het was gedoemd om te mislukken. Iemand stelde voor om een voorraadje stinkbommen in te slaan. ‘Wanneer wou je er dan gebruik van maken?’ ‘Straks misschien?’ Een ander beweerde zich misselijk te voelen en wou het liefst van al terugkeren naar ons geheim hoofdkwartier in de – althans in onze verbeelding – bouwvallige kelder van een bakkerij op de hoek van de Zwaluwenstraat. Maar dat waren afleidingsmanoeuvres. We werden ergens verwacht en we wisten deksels goed waar.

‘De Anderen zullen er ook zijn’, liet ik mij onverhoeds ontvallen. Niemand reageerde, maar even leek het alsof er een schaduw over ons heentrok. Vijf grimmige gezichten eisten een verklaring.
‘Nu, jullie weten toch dat Flippo en zijn bende onze stek ontdekt hebben. Als we niet ingrijpen, zijn we ‘m kwijt.’
‘Niet zomaar ontdekt. Misschien heeft iemand zijn mond voorbijgepraat’, opperde onze hoofdman. (Ik had destijds de eer van het leiderschap aan mij laten voorbijgaan, maar fungeerde nog wel als raadsman of orakel.)
‘Wou je zeggen dat iemand van ons . . . ? Een verrader?’

Zwijgend beklommen we de steile helling van de Soldatenberg, de kunstmatige heuvel die ons scheidde van het eigenlijke Maria-Hendrikapark. Helemaal bovenaan bevond zich een groepje berken waar we halt hielden om bij te komen, maar vooral ook om te beraadslagen. Het was zo goed als zeker dat de bende van onze tegenstander niet groter zou zijn dan die van ons. Bovendien hadden wij onze Luc, die gemakkelijk twee en zelfs drie tegenstanders tegelijk aankon. Ik hield mij in conflictsituaties, zeker wanneer er geweld aan te pas kwam, veeleer op de vlakte, om, wanneer de gelegenheid zich voordeed, links en rechts een paar slagen onder de gordel uit te delen. Om op alle eventualiteiten voorbereid te zijn was ik bovendien alert op de minste beweging in de onmiddellijke omgeving.

We hadden allen uitstekende messen bij ons, die we gelukkig nooit hadden hoeven te gebruiken. Met metalen plaatjes verstevigde bergschoenen waren destijds een must. En het was waar dat onze zwarte ribfluwelen broeken eigenlijk ietsje te kort waren voor knullen van onze leeftijd (zoals Flippo de dag daarvoor nog smalend had opgemerkt), maar dat betekende allerminst dat wij niet krachtdadig en door en door mannelijk uit de hoek konden komen.

Dirk stelde voor om voor de strijd een zoenoffer te plengen en ritste onbevangen zijn gulp open. Ik had echter op zolder in een van de oude boeken van mijn ouders gelezen dat het niet goed was om kort voor een fysieke inspanning daden te verrichten die een slopend eiwitverlies met zich meebrachten.
‘Heb jij een ander voorstel, dan?’
‘Wat verderop weet ik een rotsblok te liggen in de vorm van een kop. Daar moeten we rond gaan zitten.’
‘Goed. En dan?’
‘Dat vertel ik zo wel. Eerst moeten jullie die steen zien.’

Het ‘rotsblok’ in kwestie was eigenlijk niets meer dan een verzameling bruine en grijze keien bijeengehouden door keihard cement, maar iedereen gaf toe dat de ‘kop’ die boven dit amorfe lichaam uittorende wel degelijk iets reptielachtigs had. ‘Ik zou zeggen: een vuursalamander.’
‘Ik ben blij dat je het ook ziet, Dirk.’ Dat maakte het een stuk makkelijker. ‘Probeer zo te gaan zitten dat je linkerknie de rechterknie van je buur raakt.’
‘En jij?’
‘Ik ga de cirkel sluiten, natuurlijk. Dirk en Martijn, schuif eens een beetje op, dan kan ik tussen jullie zitten. Okee. Zo. En nu ogen dicht allemaal. Niet valsspelen of het lukt niet. O, machtige Heerser, gij die in ons – niet lachen, Martijn.’
‘Sorry.’
‘O, machtige Heerser, gij die in ons gevaren zijt, geef ons de kracht om onze vijanden te overwinnen. Wij doen alles in Uw naam en zweren U hierbij eeuwige trouw. Nog even zo in stilte blijven zitten . . . Zo is het wel goed.’

‘Ik snap niet hoe het kan, maar ik voel mij opeens een pak sterker’, fluisterde Ivan. ‘Voelen jullie het ook?’
‘Dat is de kracht van onze nieuwe totem’, stelde ik. ‘De Salamander heeft bezit van ons genomen en zal ons steunen in al wat wij ondernemen. Het kan niet anders of we hakken Flipje en zijn zeiktrutten in de pan. Zijn jullie klaar?’

We bedekten de steen met een dak van natte takken en bladeren, maar eerst plaatste ik de speelgoedsauriër die wij gevonden hadden op de stenen snuit, vlak voor de ogen, om eventuele ontdekkers duidelijk te maken dat anderen hen voor waren geweest. Eigenlijk hadden we de totem met het bloed van een klein beest – een vogel of een kikker – moeten besprenkelen. Dat wekte ontzag in de hand en zou ons pelgrimsoord behoeden voor al te vrijpostige of vernielzuchtige lekenhanden.

Er restte ons weinig tijd. Luttele dagen daarvoor had een van Flippo’s luitenanten ons ondubbelzinnig te kennen gegeven dat de ultieme confrontatie omstreeks drie uur in de namiddag zou plaatsvinden. Een echte zelfmoordtijd die ons extra op onze hoede deed zijn. Ik werd om zes uur thuis verwacht voor het avondeten en hoopte maar dat ik er niet te verfomfaaid zou uitzien.

We staken het viaduct over en gooiden deze keer maar geen stenen naar de auto’s die onder ons door zoefden. Op het eind ging het bergaf en kon je twee kanten uit: links ging het gewoon door tot aan de berm die zich boven het meer bij het dierenasiel bevond, terwijl de weg aan de rechterzijde na een steile afdaling uitwaaierde in een reeks gedeeltelijk overwoekerde paden die ook op onze stek uitgaven.

Het was er ook nu weer duister en stil. We vonden geen nieuwe voetsporen, maar pal in het midden van het zwarte water dreef zowaar een dode waterrat. We lieten ons echter niet van de wijs brengen en speurden gespannen de omgeving af.
‘Bij elkaar blijven. We weten niet van welke kant ze komen.’
‘We hadden een verkenner naar hun vergaderplaats moeten sturen.’
‘In uniform zeker?! Die hadden ze met zijn helblauwe hemd al van ver zien komen.’
‘Waar blijven ze verdomme?’

Ogenblikkelijk, als hadden ze op Lucs oprisping staan wachten, kwam een drietal bruine hemden uit het struikgewas aan de overzijde van het meer te voorschijn slenteren. Blijgemoed etaleerden wij het soort valse blijdschap dat in dit soort situaties vereist was.
‘Wat is er met je vrienden gebeurd, Flipje? Zo te zien heb je er niet veel meer.’
‘Dat valt wel mee, Dirk. Kijk maar achter je.’

Geschrokken draaiden wij ons om. Net op tijd. Achter ons waren drie andere bruinhemden verschenen. Zes van hen tegen vijf van ons: geen onhaalbare kaart, maar tot mijn ontzetting bleek de middelste van het drietal dat ons zo vakkundig beslopen had mijn boezemvriend Pascal. Heel even kruisten onze blikken elkaar. Hij was minstens zo verbouwereerd als ik. Verdomd nog aan toe, waarom had ik dit niet voorzien?
‘Ze hebben jullie nog altijd niet geleerd hoe je een fluitkoord aan een das bevestigt. En die broeken, jongens toch. Net slipjes. Stelletje flikkers.’
‘Wij scharrelen alleszins niet met onze zussen, hé jongens?’ Die zat. Flip liep bloedrood aan en zette een paar kloeke stappen in onze richting.
‘Dat lieg je!’
‘O ja? Ilse heeft het ons zelf verteld.’ Gelach.

Er viel een stilte. Wat ging er door Pascal heen? De storm zou niet lang meer uitblijven, maar wij waren, zeker vergeleken met beren als Luc, kneusjes die in gevechtssituaties op de hulp van anderen waren aangewezen. Pascal zou op zijn hoede zijn voor gekneusde handen die hem zouden hinderen bij zijn pianostudies, en ik was ook allerminst tuk op stroeve vingers waarmee ik helemaal niets meer zou kunnen schrijven.

Voorlopig beperkten beide partijen zich ertoe de tegenstander nauwlettend in het oog te houden. Echte regels waren er niet: de eerste uithaal kon net zo goed van een aanvoerder als van een onderhorige uitgaan. Flips jongens waren dan wel in de meerderheid, het donkere meer was voor hen een duidelijk nieuwtje. Een tengere jongen die ik nooit eerder had gezien, leek het zowat in zijn broek te doen van angst.
‘Wie is die nieuwe, Flippo? Het lijkt mij geen degelijke aanwinst.’
‘Niets voor jou, Tom. Jan heeft al een vriendinnetje. Leuke jongen anders wel, vind je niet?
‘Wat doet die schijterd bij jullie?’
‘O, maar wij zijn best tevreden over hem hoor. Het is geen krachtpatser, hij heeft een heel bijzondere manier van vechten. Even demonstreren?’

De kleine kwam onverwacht zelfzeker in beweging. Onmiddellijk, als gold het een bijzonder soort schaakspel, werd die opening gecounterd met een tegenzet. Dirk tikte Albaan bemoedigend op zijn linkerschouder.
‘Vooruit maar. Niet sneller gaan dan hij. Gaat hij die boomstronk voorbij, pak je ‘m. Wij volgen je.’
‘Okee.’

Albaan zette een vijftal passen in de richting van zijn tegenstrever, die al voorbij de hem toegemeten helft geslenterd was. Het tengere broekventje maakte in het geheel geen schuchtere indruk meer en leek opeens behept met een katachtige veerkracht. Zijn starende ogen die op de naderende gestalte voor hem gericht waren, hadden een kille kwaliteit die elke andere gevechtspartner beslist tot nadenken zou hebben gestemd. Maar Albaan had al voor heter vuren gestaan. ‘Van dichtbij lijk je wel een dreumes’, siste hij de jongen toe. ‘Je kunt nog terugkrabbelen. Ik sla geen kinderen.’
‘Denk je dat je met een kneusje te maken hebt? Kom maar op.’
‘Je vraagt erom.’

Albaans rechterknie schoot uit, maar voor hij de onderbuik van de kleine raakte, ving die met zijn linkerhand handig de stoot op. Het gebeurde snel, veel te snel om uit te maken hoe het precies in zijn werk ging, maar een fractie van een seconde later zeilde Albaan molenwiekend door de lucht. Hij belandde met zijn kont in de modder en de gezellen van de kleine zetten het op een luid lachen.

‘Een judoka verdomme!’ Ik had de bliksemsnelle en gracieuze beweging herkend als een van de judogrepen die mijn vader mij ooit tevergeefs had willen aanleren. Terwijl Albaan vertwijfeld en met hernieuwd respect de tengere gestalte van het knulletje dat voor hem stond in zich opnam, kwamen de twee groepen nu snel in beweging. In de gebruikelijke chaos waarbij iedereen er lukraak op los mepte, slaagde de kleine judoka er zowaar in nog twee andere tegenstrevers in het stof te doen bijten, maar tegen de brute ossenkracht van onze Luc bleek hij toch niet opgewassen. Grommend maar zonder veel omhaal tilde onze krachtpatser hem op en kieperde hem een eind in het water.

Ik had Karel buiten gevecht gesteld met een elleboogstoot die hem zou heugen, toen ik iemand op mijn rug voelde springen. Thierry, een ratachtig straatvechtertje dat mij zeker niet zou sparen.
‘Klootzak! In de rug aanvallen hé?’ Hij had harde vuisten en ik slaagde er niet in hem van mij af te schudden. Duizelend strompelde ik een paar passen zijwaarts in de richting van de groenbemoste boomstronk – een gok, maar ik kon niet anders. Mijn spieren verslapten en we zegen neer, Thierry het eerst. Ik ving een glimp op van de grijze herfstlucht tussen de kale boomtakken, en toen kwam het hoofd van mijn tegenstander met een klap op de harde stronk terecht. Weer geluk gehad. Die was voor de rest van de dag uitgeteld, zoveel was zeker.

Dirk en Flip waren na de openingsschermutseling meteen op elkaar begonnen in te hakken dat het een lieve lust was. Ze hadden alleen nog oog voor elkaar. Maar Daniël kreeg onze Albaan uiteindelijk klein en haastte zich om een handje toe te steken. Vluchtig om mij heen kijkend maakte ik snel een tijdelijke balans op. Hun judoka en Thierry uitgeschakeld, onze Albaan op apegapen. Pascal en Ivan buitelden energiek rond in de modder en zaten om de beurt of tegelijktertijd met een of meer benen in het water. Luc was slaags geraakt met Karel, die onverwacht sterk bleek en hardnekkig weerstand bood.

Ik probeerde het fatale ogenblik zo lang mogelijk uit te stellen, maar Pascal trakteerde zijn tegenstander onverhoeds op een hoorbaar stevige trap in zijn kruis. Ivan zette het jankend op een lopen en opeens stonden mijn geheime boezemvriend en ik tegenover elkaar. ‘Doe dan iets, eender wat’, hijgde hij mij toe. ‘Vooruit, niet twijfelen. Ik ben niet bang voor een bloedneus . . . Of wil jij soms een klap?’
‘Het zal wel moeten. Snel, voor de anderen argwaan krijgen.’

Ik bood ten overvloede mijn linkerwang aan. Plots voelde ik zijn handen op mijn heupen en de stevige bult in zijn broek tegen mijn geslacht. Hij haalde uit en plaatste een onzachte maar vrij onschuldige uppercut tegen de onderkant van mijn kaak. Ik zakte met luid vertoon door mijn knieën en bleef met mijn kop in het gras liggen.

Ondertussen hadden ook Daniël en Karel eieren voor hun geld gekozen. En Flip? Die bleek in het geheel geen zin te hebben om het in zijn eentje op te nemen tegen Luc en zette het op een lopen. Ons triomfantelijk hoongelach zou hem doorheen de plots opkomende mist achtervolgen, tot aan het Spiegelmeer en verder nog. Het zou hem ook thuis niet met rust laten en met wat geluk hield de klootzak er een slapeloze nacht aan over. Van achtervolgen was geen sprake, want Dirk riep ons met een scherp fluitsignaal tot de orde. We hadden gewonnen.

Luc verscheen als laatste op het appel. Hij had Flip niet kunnen inhalen, maar had nog net een ander lid van diens bende bij de lurven kunnen vatten.
‘Wat doen we met deze?’
Pascal.

Wij hadden de strijd zonder al te veel kleerscheuren overleefd. Ook mijn maatje had geen al te zware averij opgelopen. Op een paar schrammen en blauwe plekken na kon je nauwelijks iets aan hem merken, maar de nederlaag woog zo te zien zwaar. Luc hield hem nog steeds in een ijzeren wurggreep, die nu rijkelijk overbodig leek. De tengere gevangene staarde gelaten naar de metalen punten van zijn schoenen. Hij leek niet de minste belangstelling te kunnen opbrengen voor zijn hachelijke situatie.
‘Wat gaan we met hem doen?’
Dirk ging pal voor het duo staan. ‘Hé, Pascal! We hebben het over jou, man! We hebben gewonnen, je spitsbroeders hebben je aan je lot overgelaten. Je bent aan onze genade overgeleverd, besef je dat wel?’

‘Laat hem lopen.’
Wat?! Zo ken ik je niet, Tim.’
‘Ik . . .’
‘Herinner je onze vorige bataille. Jij stond erop die binken vastgebonden en wel in de bunker aan het staketsel te dumpen.’
‘Ja, maar dat waren . . .’
‘Onbekenden. Is dat het? Wacht eens, heb jij soms iets met Pascal?’
‘We zijn vrienden en dat gaat verder dan die stomme veldslagen tussen blauw en bruin.’
‘Wou je van kamp veranderen, dan? Je staat bij ons in het krijt, weet je.’
‘Ik heb trouw aan je gezworen en dat blijft zo. Maar dat zou wel een stuk makkelijker uitvallen indien jullie – ik bedoel wij – hem zouden laten gaan.’
‘Goed, jij je zin. Ze krijgen hem terug. Onbeschadigd, maar onteerd. Kom, jullie, we kleden hem uit.’
‘Met die ijskoude mist? Ben je gek geworden?’
‘En jij gaat ons een handje helpen, Tim. Ik zal grootmoedig zijn: hij mag zijn schoenen, kousen en ondergoed aanhouden. En als het je niet bevalt, doen we hetzelfde met jou en mag je hem gezelschap houden. Lijkt je dat wat?’
Dirks ogen fonkelden fel en dreigend. Ivan had Albaan uit de modder opgevist. Samen gingen ze bij Luc staan. Er was geen ontkomen aan.
‘Goed,’ zei ik uiteindelijk, ‘maar het moet snel gebeuren en we mogen hem geen pijn doen.’

Dirk verwijderde behoedzaam de speldjes en insignia van het hemd van de overwonnene, en gooide ze na een vluchtig onderzoek in het water achter hem. Alles zonk vrijwel meteen naar de bodem van het meer, op een felrood lint (een onderscheidng voor bijzondere moed en zelfopoffering) na. Ivan schoof de lederen dasknoop naar beneden. De feloranje das zelf werd in vijf min of meer gelijke repen gesneden. Zwijgend bevestigden wij de snippers katoen aan onze koppelriemen. De zilveren dasspeld met de initialen van de gevangene was een toemaatje.

We begonnen het flink koud te krijgen. De dunne flarden mist die de omgeving al een poos omfloersten, kregen nu snel versterking. Het melkwit tapijt dat dreigend en traag door de bomen naar ons toe gleed, transformeerde de voor ons zichtbare werkelijkheid in een nieuwe wereld waarin van alles mogelijk was. Dirk wendde zich tot de rillende gestalte voor hem. ‘Je bent vrij. Je kleren krijg je nog terug.’

We namen afscheid van elkaar en gingen elk ons weegs. Ivan en Luc richting stadscentrum, Dirk, Albaan en ikzelf naar de Sint-Janswijk, in de buurt van het gehucht Stene. De mist was bijwijlen zo dik dat wij af en toe behoorlijk de kluts kwijt raakten. Overbekende straten en pleinen leken door hun onzichtbaarheid opeens veel langer of breder. Kleine afstanden bleken tot onze verbijstering zo goed als compleet onoverbrugbaar, gevels en omheiningen oneindig ver weg of juist heel dichtbij. Een enkele keer schrokken we zo hevig van de opdoemende contouren van een lantaarnpaal dat we in de lach schoten.

We deden er ruim een half uur over om Albaans ouderlijke woning te bereiken, en zelfs toen we het rijtjeshuis gevonden hadden, drong het niet meteen door waar wij waren. De spaarzaam verlichte voorzijde bevond zich vlak achter ons, terwijl we er vrijwel zeker van waren geweest dat wij ons in de buurt van de kleine rotonde honderd meter verderop hadden bevonden.

Dirk woonde niet eens veel verder. Na de eerste straat rechts kwam je via de Blauwkasteelstraat in de Gerststraat terecht. Onze leider woonde in een riant herenhuis op de hoek van de Tarwestraat. De strakke lijnen van het donkergrijze gebouw sneden als een mes door de uitwaaierende mist die hier veel dunner leek. Een viertal hel verlichte ramen dompelde een klein gedeelte van de straat onder in een verblindende gloed die mij naar de beschermende duisternis van het bos deed verlangen.

EINDE

Fotocover © Hubert Van Calenbergh

Stuur ook jouw foto in bij dit verhaal!
Zet je foto op Instagram en gebruik de hashtag: #drijfhout39

Dit zijn de foto’s die tot nu ingestuurd zijn bij het verhaal van B.B. Bijkaart:

 

Geschreven door:

B. B. Bijkaart heeft een journalistieke opleiding achter de rug. Hij vertaalde Jean Ray en Hanns Heinz Ewers voor de Amerikaanse markt en is de auteur van een onuitgegeven Nederlandstalige roman die genomineerd werd voor de Gouden Gids Manuscriptprijs. Hij schreef ook een verhaal voor de eerste editie van Drijfhout. Hij verzamelt Lovecraft en Reve.