Laagtij

Augustus 2015

Ik leerde hem per toeval kennen na een lange wandeling, die begon ter hoogte van het Duinenkerkje, op de dijk, richting staketsel Oostende.  Na een uurtje genieten, gedreven door een lichte zuidenwind en met de zon uit de ogen, kon ik met enige genoegdoening, een vrij plaatsje op een der rustbanken tegenaan het Kursaal bemachtigen. Naast mij zat een gedistingeerde oudere heer die zich voorstelde als Leon S. We praten over het weer en de drukte op het strand zoals men hier aan zee gewoonlijk een gesprek met een onbekende begint. Drukte was er alleszins, het was laagtij.

Hoewel de zomer ten einde liep, spreidde de zon zijn laatste stralen in de blauwe lucht over het Groot Strand, dat gevuld was met windzeilen, kleurige parasols en uitgelaten strandgasten. Enkele speelse jongeren zwommen enthousiast in de bewaakte zone precies of ze de oversteek naar Engeland wilden wagen, tot de redders hun, met luid getrompetter en hevig gesticulerend, tot de orde riepen.
Bij de vloedlijn liepen kleine kinderen vrolijk roepend in de nieuwgevormde strandmeertjes en een klein groepje stoutmoedigen waagden zich onder het oog van bezorgde ouders met dartele sprongen in zee.
‘Waren wij vroeger ook zo uitgelaten en blij op het strand?…’, vroeg hij, met een kleine glimlach.
We genoten van het spektakel, maar vrij snel schakelde ons gesprek over naar de resterende oude gebouwen op de dijk vanaf ‘La Tourelle’ op het Zeeheldenplein tot de villagroep hier een eind verderop met ‘Villa Maritza’ als blikvanger.

Ik was getroffen door de bezieling die van hem uitging. Hij bezat een ruime kennis over de verdwenen pareltjes in de stad, maar hij kon met nog meer enthousiasme en gedrevenheid vertellen over het oude Oostende. De geschiedschrijvers Fleming en Bowens bleek hij moeiteloos te citeren bij zijn verhalen. Leon, welbespraakt als hij was, aarzelde niet me in de loop van het gesprek, een paar persoonlijke details mee te delen.
‘Alleen is maar alleen …’, zuchtte hij met een zweem van moedeloosheid.
‘Ik heb wel eens in mijn jonge jaren een lief gehad…’, lachte hij schuchter met pretlichtjes in de ogen. ‘Haar ouders runden een klein hotelletje in de middenstad. Mijn baantje als kantoorbediende bleek voor hen te min om hun dochter, als begerenswaardige partij, aan de haak te mogen slaan…En dan te bedenken dat het kastenstelsel alleen in India bestond…’, mompelde hij hoofdschuddend niet begrijpend, langs de neus weg.
‘Tja… wat kon ik tegen hen beginnen, in die tijd luisterden de kinderen naar hun ouders… dus… Ik kon mijn liefje…’ en hier stokte even zijn stem, ‘…nooit vergeten… nooit… zodat ik als eenzaam vrijgezel door het leven ben gegaan.’

Een goede zes maanden geleden was zijn pensioenleeftijd aangebroken. Nu kon hij volop genieten van een welverdiende rust. Als rasechte Oostendenaar hield hij ervan langs de dijk of op het strand een fikse wandeling te maken.
De seizoenen schrikten hem niet af. Zomerse regenbuien of zware herfststormen konden hem niet tegenhouden om zijn dagelijkse ritueel af te ronden.

In de zee van tijd waarover hij nu beschikte zou hij, volgens zijn zeggen, zich nog meer gaan specialiseren in de geschiedenis van de stad. Uit zijn verhalen kon ik opmaken dat hij regelmatig in de archieven van stad en provincie dook en alle wetenschappelijke werken daar grondig onderzocht om toch maar iets extra te weten te komen over het oude Oostende ‘Ter Streep’ of  ‘Testerep’ of hoe je het maar noemen wil.
Gedreven als hij was, besloot hij zich tot het uiterste in te spannen om toch de missing link, tastbare bewijzen, die alles zouden openbaren over de verdwenen stad, waarover zo veel en vaag naar verwezen wordt in allerlei geschriften, op te sporen.
Hij voelde het dwangmatig aan, hij moest en zou de resterende geheimen doorgronden: objecten vinden van de bakermat van de stad de oude parochie Sint-Cathelijne. Vermoedelijk stond er toen zelfs een kapel op Sint-Cathelijne-Oost…

Van oude vissers wist hij verhalen, dat ze bij valavond na stormachtig weer, ter hoogte van Mariakerke, wanneer het water het laagste peil bereikt na een springtij en bij het naderen van de geul, ze soms plots de torenspits van de kapel boven de golven zagen uittornen. Enkelingen waren er rotsvast van overtuigd dat ze onder water de klok in de toren hadden horen luiden. Ze ervaarden dit wel als een voorbode van nakende rampspoed en sloegen dan een kruis ter bescherming tegen het kwade.

Het begon al te schemeren toen we hartelijk afscheid namen en beloofden elkaar op die plaats, op een mooie dag weer te ontmoeten.

September 2015

De zomer liep ten einde en de eerste forse windvlagen, als voorbode van de herfst, kwamen het einde van het seizoen inluiden. De wandelaars op de dijk werden schaarser en het strand lag er verlaten bij. Beneden tegenaan het talud, was men druk in de weer om de strandcabinnes af te breken. Zwoegende en vloekende eigenaars met twee linkerhanden sleurden de zware panelen naar stootkarren of duwden en trokken de grote witgeverfde wanden de dijkhelling op.
Zwevende en krijsende meeuwen keken toe over het spektakel of doken onverwachts naar beneden in de hoop nog ergens een greintje voedsel te vinden bij al die vreemde ravage.

Die dag zag ik Leon terug op dezelfde plaats bij het Kursaal.
Na een hartelijke begroeting en wat beleefdheidsformules kwam het gesprek bijna automatisch weer op het interbellum en het oude Oostende.
Ik bleek een goede luisteraar, deels omdat het onderwerp me wel enigermate interesseerde en anderzijds omdat de milde warmte van de ondergaande zon zorgde voor een aangenaam verpozen op de gemakkelijke houten banken langs Petit-Nice.
Het begon staan te donkeren en tenslotte waren we vrij snel akkoord om een afsluitertje te gaan drinken in een nabijgelegen bistro op de dijk.
Hoe verder de avond vorderde, hoe meer we de geneugten van een glas “Ensor” konden waarderen en hoe meer het enthousiasme van Leon steeg bij zijn monoloog over de verheerlijking van de kust en de verdwenen oude stad.
Maar toch, als ondertoon kon ik opmaken dat hij niet alleen een zeer eenzaam man was, maar bij hem ook wel een zekere graad van verbittering sluimerde, die treurde om de teleurgang van een verleden, dat volledig afgesloten werd door een briljante Belle-Epoque, waar menig Europese stad jaloers op zou zijn.

Naar ik kon besluiten was zijn enige en ultieme betrachting, nog tastbare sporen te vinden van het verzwolgen stadsdeel. Dit idee-fixe kwam steeds als een rode draad in zijn betoog naar voor.
Hij was overtuigd dat er nu, met de moderne technieken, een mogelijkheid moest bestaan deze doelstelling te verwezenlijken zelfs na al die eeuwen.
Het aantal biertjes dat we samen met smaak genuttigd hadden en misschien ook mijn luisterbereidheid bleken goede factoren te zijn om onze eeuwige vriendschap te bezegelen en het was dan ook in een opperbeste stemming dat we afscheid namen elk met de overtuiging een vriend rijker te zijn.

Oktober 2015

Vier weken later, de herfst was stilaan op kousenvoeten over zee en strand getrokken. Langs de kaai waren een aantal oude vissers pijprokend, goed ingeduffeld, aandachtig bezig hun netten te herstellen. Enkele vissersbootjes beneden in het dok werden klaargemaakt door hun bemanning om het ruime sop te kiezen en de nacht op zee door te brengen.
Verder voorbij de strekdam, op de Albert I-Promenade, bleken de dagjesmensen even dun gezaaid als de garnalen die de kruiers uit de schuimende golven met hun sleepnetten probeerden te verschalken.
De meeuwen waren terug de heersers van de golven, van het strand en de dijk.
De wind begon aan te trekken, zoals dat de gewoonte is bij een nakende storm.

Precies op die dag ontmoette ik hem terug in Mariakerke-Bad op de Zeedijk, ditmaal bij de glazen Paravang ter hoogte van de Aarlenstraat en de Namenstraat.
Hij zag er vermagerd en getrokken uit. Als door een magneet aangezogen dwaalde zijn verontruste blik voortdurend af naar de witte schuimtoppen op de golven die gretig en onophoudend het strand belaagden of die donderend uiteenspatten op de grijze rotsen van de nabije golfbrekers.
Zittend op een rustbank en veilig beschut door de glazen wand tegen de opstekende zuidwestenwind met het opstuivend zand dat in witte slierten over het strandoppervlak striemde, kwam ons gesprek vrij vlug bij zijn geliefkoosd onderwerp.
‘Wat heeft de zee hier dichtbij te verbergen?’, sprak hij luidop, meer tegen zichzelf, met een verbeten ondertoon.
‘Wat ligt hier toch verborgen onder golven?… Een ganse parochie, de eerste stad, een deel van ‘Ter Streep’ werd hier verzwolgen bij de zware stormvloed tijdens de Sint-Vincentiusnacht van 22 januari 1394.’

Deze gebeurtenis bleek hem zodanig te fascineren dat hij die rampzalige nacht als het ware in een visioen kon beschrijven. Met een starre blik op de golven gericht, vertelde hij als in tranche, over een schrikwekkende gebeurtenis die zou hebben plaatsgevonden, vele eeuwen geleden, hier minder dan een mijl voor ons. Hij diste verhalen op waarbij hij zelfs beweerde dat hij onlangs in een kroeg oude vissers gesproken hadt die hun netten scheurden toen deze bleven hangen aan obstakels waar eens het Oostende van vroeger gelegen was.
Hoe verder hij doorging met zijn betoog hoe meer hij zich fanatiek vastbeet in zijn harde woorden die bijna als geselslagen klonken.
Met mijn enige schaarse nautische kennis die ik machtig was, probeerde ik hem voorzichtig van het tegendeel te overtuigen. Het eeuwenlang voortdurend bewegende scherpe zand onder het water, de stromingen en de tijd, zou alles vernield en verpulverd hebben of onder een metersdikke witte zandlaag voor eeuwig laten verdwijnen.
Ik begreep na korte tijd, dat hij zodanig vastzat in zijn dwangmatige utopie dat mijn uitleg weinig of geen vat op hem hadt.
Zwartgallig en met enige melancholie keek hij naar de hoge flatgebouwen achter ons.
‘Betonnen dozen’, noemde hij het sarcastisch met enig misprijzen.

Het begon stilaan te schemeren. Ik probeerde zijn zwaarmoedigheid dan maar te doorbreken door hem uit te nodigen om in een van de nabijgelegen bistro’s langs de dijk, een afsluitertje te gaan drinken. In het gezellige ‘Strandhuis’ lieten we ons een paar streekbiertjes goed smaken, waarna hij weliswaar met behulp van het gouden gerstenat en met enige inspanning van mijnentwege uiteindelijk, maar toch moeizaam, kon overschakelen naar een dagdagelijks onderwerp. Het was al duister toen we in de beste verstandhouding afscheid namen. Hoewel…, ik had toen wel een wrang vermoeden dat me enigszins verontruste. Hij omklemde mijn hand met zijn beide handen.
‘Dank U… Dank U… voor alles…’, sprak hij zacht.
Dijk en strand lagen er verlaten bij. Op en neer deinende boeien pinkten in de verte de eenzame wandelaars een slaapwel toe.
De herfststormen kwamen zoals ieder jaar, de een na de ander, soms gevolgd door dagenlang zwiepende regenbuien.
Dat en een niet aflatende felle wind zorgde ervoor dat ik meer mijn heil zocht in het lezen van een goed boek, dan mij op de dijk of op het strand te wagen.

November 2015

Het zal intussen een goede maand geleden zijn dat ik hem het laatst ontmoette, tot mijn oog viel op een kort artikel in de krant van vandaag 9 november bij de fait-divers:

“Zaterdagmorgen rond acht uur werd op het strand te Oostende voor de residentie ‘Royal Palace’, bij de vloedlijn door een wandelaar een paar schoenen gevonden, waarin een paar kousen met daarin een brieventas met een identiteitskaart op naam van Leon S.
De reddingsdienst heeft urenlang in de omgeving met een boot gezocht op zee maar geen spoor van de drenkeling gevonden.
De politie wist te melden dat S. die door zijn buren als zeer neerslachtig werd omschreven sinds zaterdagmiddag in zijn flat niet meer gezien werd.
Men vreest dat de ongelukkige zich van het leven heeft beroofd.”

En op de laatste bladzijde in de krant onder de efemeriden:
De weersverwachting te Oostende vandaag maandag 9 november;
Temperatuur  12° Neerslagkans 0%
ZW 2/3 Bf. Laag water om 18:30 uur.

Ideaal… straks ga ik naar het strand.

Epiloog

Op 23 november 2016 meldde de VRT dat voor de kust van Oostende restanten van de oude stad uit de 14e eeuw zijn ontdekt.
Maar voor het eerst zijn die materiële restanten nu ook gelokaliseerd. De voorlopige resultaten zijn voorgesteld tijdens een studiedag over erfgoed in de Noordzee in Gent. De VRT meldde verder:
“De problematiek van zeespiegelstijging en kusterosie is niet nieuw. Vooral tussen de 14e en de 16e eeuw kreeg de kust van het graafschap Vlaanderen herhaaldelijk af te rekenen met desastreuze stormen waarbij grote stukken van de kust letterlijk aan de zee werden prijsgegeven.
Die stelling is kracht bijgezet door nieuwe ontdekkingen in het kader van het SeArch-project waarbij de Universiteit Gent innovatieve akoestische techniek heeft ingezet, aangekocht door het Vlaams Instituut voor de Zee. Daarmee is 200 meter voor de dijk, op een diepte van maximaal drie meter, gezocht.
Het onderzoek loopt nog. Het valt dus (nog) af te wachten of Oostende nog meer van zijn geschiedenis prijsgeeft.
Bron: de redactie.be

EINDE

Marine, strand bij laagtij / Léon Spilliaert

Geschreven door:

Beroepsmatig aangespoelde Oost-Vlaming, woont sinds 1953 te Oostende. Schreef geschiedkundige werken en publiceerde in het Gidsenblad "Lange Nelle". Na jaren onderzoeksjournalistiek waagde Georges een poging om gebeurtenissen in Oostende als kortverhaal weer te geven met een 1e novelle “Laag tij”.