Nooduitgang

1979

Juffrouw Demaegdt? Juffrouw Demaegdt Maria?’ Het gegniffel in de wachtkamer van het rijopleidingscentrum is niet eens discreet. Het meisje met de onfortuinlijke naam staat op en sloft met gebogen schouders de rijinstructeur achterna. Het lijkt alsof de last van haar naamcombinatie letterlijk op haar toch al ineengedrongen figuur weegt. Nog voor ze de deur bereikt, roepen ze ook mijn naam af, het sloffen hapert en onze blikken kruisen even. Haar flauwe lach past niet bij haar doffe ogen.

‘Jouw ouders zijn ofwel sadisten, ofwel katholieker dan de paus.’ Nog geen week later spreekt ze me aan in jeugdhuis Ter Duinen, een plaats die tweewekelijks op zaterdagavond vooral bezocht wordt door jongeren wiens doorgaans strenge ouders hun kroost eigenlijk liever thuis houden. Ik haal mijn schouders op en ontwijk een antwoord (ook voor mezelf) hoewel haar vraag terecht is. Wat voor soort ouders noemen hun zoon immers Jozef wanneer de familienaam Timmermans is?

Pas later – toen vader weg, moeder dood en mijn leven even boeiend was als dat van een zak lege mosselschelpen – zocht ik naar een antwoord. Ik vond er geen. Het antwoord moest hoe dan ook bij mijn moeder gezocht worden. Vaders waren verantwoordelijk voor het aangeven van de geboorte en de gekozen voornaam aan het daarvoor bestemde loket, maar het was ondenkbaar dat mijn vader op eigen initiatief en tegen de wil van mijn moeder een naam had gekozen. Waarom Jozef? Dacht moeder mij op die manier te vrijwaren van een heidense levenswandel? Of vond ze het – gezien haar religieuze overtuiging – gewoon een mooie, passende naam? Ouders kiezen wel vaker een idiote naam voor hun kind, met geen andere reden dan dat ze die – mogelijk misleid door een soort van zwangerschapseuforie – grappig, inspirerend of origineel vinden. Zonder stil te staan bij de impact van die naam op een levensduur van pakweg vijfentachtig jaar.

‘Kom je hier vaak?’ In plaats van te antwoorden, stel ik een vraag terug, een farizeeërstruc die ik wel vaker gebruik. Zij komt hier al drie jaar, antwoordt ze, van haar zestiende, net als ik. Het leek haast onmogelijk dat we elkaar niet kenden – het jeugdhuis was niet erg groot – maar Maria was als ik, onopvallend als een zandkorrel op het strand en gedoemd om met de uitstraling van een strook behangpapier het leven te ondergaan. Maria vertelde me die avond (ongevraagd) dat de schuld voor haar ongelukkig gekozen naam niet bij haar ouders lag, althans niet rechtstreeks, ze wist niet eens wie haar ouders waren.

Het was een te vroege herfstavond begin september 1965 toen een van de zusters Clarissen de slecht ingepakte baby ontdekte die aan de deur van haar klooster was gelegd – ‘gedumpt’ noemde Maria het zelf. De vondeling huilde niet, lachte niet en bewoog niet, maar de inderhaast opgetrommelde arts verklaarde na een oppervlakkig onderzoek dat het murmel (zelfs als baby had mijn toekomstige echtgenote al iets gedrongen) in goede gezondheid verkeerde. Het was de eerste (en de laatste) vondeling in de geschiedenis van het klooster en de verwijzing naar de maagd Maria was onweerstaanbaar. Tenslotte vormden ze zelf toch een vereniging van onbevlekte vrouwen? In overeenstemming met hun gelofte had geen van hen ooit het twijfelachtige genot van mannelijke penetratie ervaren. En die gemeenschap kreeg nu plots een kind, een geschenk uit De Hemel. Een meisje dan nog. Die bekoring was simpelweg te sterk en er waren geen drie wijzen om hen op de wereldvreemde naamkeuze te – euh – wijzen.

Daarna

Onze vrijage was minder spannend dan een portie spaghetti in het schoolrestaurant, daar hadden ze tenminste nog Tabasco om de hap een enigszins exotische toets te geven. Het duurde even eer we de kunst van het obligate tongzoenen (een beetje) meester werden. Het tonggedraai zorgde voor een opstoot van hormonale drift bij mij en een beperkte aanvaarding van die drift bij Maria. Gepruts onder de gordel werd door haar met gespeelde vrolijkheid bestraft door een ferme tik op de zoekende vingers.

Er volgde geen officiële verloving maar na een vrijage van drie jaar vonden de kloosterzusters een huwelijk wenselijk. Een bewoonster met een vrijer werkte als een hormonale stoorzender. Moeder maakte geen bezwaar, vader had haar net in de steek gelaten – kort nadat mijn zus het was afgebold met een Amsterdamse hippie met mooie bruine ogen, lang krullend zwart haar en een vlotte babbel. Het leek alsof ik in de weg stond om de rol van treurende weduwe ten volle te spelen.

Het was Maria zelf die op een bepaald moment voorstelde om te trouwen. En dus mompelde ik iets in de trant van ‘dat is een goed idee’ waarop ze zei: ‘ik hou van jou’ en ik die leugen herhaalde. En zo werd de zaak beklonken. Mijn moeder en de nonnen hadden een maagdelijk huwelijk, van beide partners, voor ogen. Uiteraard gevolgd door een kroostrijk gezin.

Hun eerste wens werd helaas ingevuld. De tweede gelukkig niet.

Het huwelijk werd een sobere aangelegenheid. Er was geen feest. Wie hadden we moeten vragen? Mijn vader en mijn zus? Vertrokken met de noorderzon. Mijn moeder? Op burgerlijke en religieuze plechtigheden zat ze erbij als een rouwende weduwe. Verder hadden we alleen een paar oppervlakkige kennissen, verre familie en de nonnen. De nakende ontmaagding van Maria vrolijkte hen bepaald niet op. Vind maar eens een geschikte DJ voor dit gezelschap.

De langverwachte huwelijksnacht werd een trieste (voor mij, en waarschijnlijk ook voor Maria) en pijnlijke (bij Maria, niet bij mij – althans niet in de letterlijke betekenis van het woord) ervaring die de toon zette voor ons verdere seksleven. We hadden beide geen ervaring en onze kennis van de geslachtsorganen beperkte zich tot wat we op school hadden geleerd, tijdens die paar voortplantingsgerichte biologielessen. En zo zouden we de volgende twee decennia ook seks hebben, het doel was kinderen krijgen. Toen het nageslacht er maar niet kwam en we de leeftijd bereikten waarop kinderen krijgen op gefronste wenkbrauwen onthaald zou worden, daalde de seksfrequentie. We deden het wanneer Maria zin had en dat was hoop en al een keer of zes per jaar.

We klaagden geen van beiden, klagen hoorde niet. Het overaanbod aan bagger op tv zorgde voor de geruststellende gespreksonderwerpen. Onze eentonige kantoorjobs waren voldoende om de rekeningen, de jaarlijkse vakantie in het zuiden en de hypotheek van het rijhuisje te betalen.

Dit was mijn leven, of beter gezegd: mijn lot.

Tot…

 

2017

Meneer Timmermans? Meneer Jozef Timmermans?’ Ik hoor onderdrukt geproest en voel ogen gluren vanachter de saaie vakbladen in de statige wachtzaal. Het is een zoeken naar iets wat het wachten kan verlichten en misschien ben ik wel die verhoopte afleiding. Van zodra de zware, geluidswerende, kantoordeur van het notariaat zich achter mij sluit, gaan ze eraan beginnen. ‘Jozef Timmermans?’, zal de ene quasi serieus herhalen. ‘Toch niet uit Bethlehem?’, antwoordt een ander, met een uitgestreken gezicht dan. Waarna het stille proesten luid geschater wordt. Het scenario is me bekend, het achtervolgt mij al mijn hele leven, soms denk ik dat ik het voor het eerst onderging in de valse veiligheid van mama’s baarmoeder, nu ruim een halve eeuw geleden. Maar dat kan niet natuurlijk, niet alleen omdat herinneringen niet zover reiken, maar vooral omdat mijn ouders geen gevoel voor humor kenden.

‘Ik raad u uitdrukkelijk aan eerst grondig met uw echtgenote te overleggen, u heeft tenslotte nog twee weken tijd om te beslissen.’ Notaris de Keuninck – met kleine ‘d’ – beschouwt ons gesprek als afgelopen.

‘Dat zal niet nodig zijn notaris, ik aanvaard de eerste optie.’ Kreunend onderbreekt de Keuninck zijn opwaartse beweging en ploft terug in het krakende leer van zijn diepe pompeuze stoel. Of zijn het zijn oude botten die kraken?

‘U weet het zeker? U beseft hoe klein de kans is dat…’ Ik onderbreek hem met een handgebaar.

‘Twintig miljoen euro notaris, twintig tegenover vijfhonderdduizend!’ Dat is namelijk wat er in het testament staat. Ik kan de volle pot erven indien ik erin slaag mijn verdwenen zus binnen het jaar terug te vinden. Of onmiddellijk een half miljoen incasseren indien ik de opdracht weiger. Als de zoektocht zonder resultaat zou zijn, erf ik helemaal niets, maar  die mogelijkheid bande ik gedurende het voorlezen onmiddellijk uit mijn gedachten.

‘Ook goed.’ Zijn rechterhand pulkt een sigaret uit een lang geleden, door een kinderhand – één van zijn kinderen? – geknutselde sigarettenhouder. Een vaal geschilderd kistje bedekt met kleine strandschelpen, waarvan de helft nu ontbreekt – contactlijm bestond nog niet in de tijd dat kinderen via leerkrachten hun vaders aanspoorden tot roken. ‘Stoort het…’ Ik werp een blik op de halfvolle asbak en knik van neen. ‘Luister…’ Hij pauzeert even om een oude Dupont aansteker open te klikken en amechtig puffend een gloeiend uiteinde aan zijn rookplezier te toveren. ‘Eind volgend jaar ga ik met pensioen en daar ben ik niet rouwig om. Ik heb teveel gezien tijdens de meer dan veertig jaar dat ik dit notariaat beheer en ik heb maar weinig zinvol geleerd. Tenzij je overdreven administratieve regelgeving als zinvol beschouwt. Maar er is wel één waardevolle levensles die ik u wil meegeven…’ Zijn blauwbloed-geaderde knokige linker wijsvinger rijst langzaam omhoog, als een zwaarbeladen werfkraan op een maandagochtend. Automatisch glijden mijn ogen mee over de aangewezen, met donker papier behangen, muur. Wanneer zijn beweging stopt ontwaar ik een replica van een grimmig starend zelfportret van Léon Spilliaert. Eronder hangt een oude Vlaamse wijsheid. Middeleeuws gekrulde letters in een veel te bombastisch kader: ‘Bezint Eer Ge Begint.’

Ik hoef niet te bezinnen. Ik wil weg. Al is het via deze nooduitgang.

Bye bye Maria.

EINDE

Zelfportret met rood potlood / Léon Spilliaert

Geschreven door:

Frank Vermang is de auteur van 'Dubbe ::: Oostende - Rock & Roll' dat een overzicht geeft van 60 jaar rock 'n roll in Oostende aan de hand van het leven van Frank Dubbe. Een tweede roman 'Blitzkrieg Rob' verscheen in de zomer van 2016. Een derde boek, met als werktitel 'Het Testament' verschijnt in 2018.