Residentie

Het smalle steegje stonk zoals gewoonlijk naar urine. Hier en daar moest ik slalommen tussen platgelopen hondendrollen. De zon was al een tijdje onder. Ik zag enkele kinderen haasje-over doen over de paaltjes die het voetpad van de straat scheidden. Het maakte me niet vrolijk. Het enige dat ik erbij kon bedenken was dat hun broeken vol hondenpis zouden hangen. Ik stapte verder en stak een donkere, verlaten straat over. In de verte kon ik de zee al zien. Restaurants en cafés popten op, elk stukje van de straat was hier plots verlicht. Mensen keken loom en ongeïnteresseerd van achter hun dessertbord naar buiten. Ze wachtten gelaten op hun rekening en wisten nu al dat het teveel zou zijn voor wat ze gekregen hadden.

De dijk was weer veranderd. Als kind kende ik hier elk winkeltje, wist ik waar je de beste touwtjes voor je windvlieger kon krijgen, waar je vlug even achterin mocht glippen om naar het toilet te gaan. Een stuk of zeven grote flatgebouwen stonden er toen. Zovele jaren later liep ik de hele bebouwde strook af. Ik telde zelfs geen zeven authentieke huisjes meer. Ze waren gesloopt, verdrongen, zodat er zoveel mogelijk mensen op zo weinig mogelijk plaats konden genieten van zicht op zee. Er was nog één huisje, helemaal vervallen, het leek gelaten zijn lot af te wachten. Binnenkort zou het ook door een immobiliënkantoor weggeplukt worden.

Het weer was zacht en de lucht rook wat ziltig. Ik liep verder, voorbij de flatgebouwen met klinkende namen: residentie Astrid, residentie Dahlia, Duynepanne, Terlinck, Tennis, Mara, Royale en ga zo maar door. Helemaal aan het einde van dit toeristenstuk wist ik een authentiek café, geen gedoe, niets speciaals. Precies wat ik zocht. Er stond een terrasje buiten voor de rokers. Ik plofte me neer op een stoel en bestelde een thee. Enkele tientallen meters verder zag ik hoe de meeste mensen halt hielden en de terugweg aanvatten: hun dagelijkse flaneersessie eindigde daar waar de winkels stopten. In gedachten overliep ik mijn dag…

Ik had gezien hoe kinderen zwoegden omdat ze zo graag een gocart wilden waarin ze een ijsjesventer konden spelen. Ze hadden er nooit bij stilgestaan dat zo een ding log, zwaar en onhandelbaar was. Geen haar op hun hoofd dacht er aan om dit toe te geven, dus ze zwoegden dapper voort. Af en toe had ik opzij moeten springen omdat het hele gezin even gepermitteerd uit de bol ging in zo een gocart. Luid bellend en gillend, alsof ze ervan uitgingen dat iedereen rondom hen het even leuk vond. Vol afgrijzen had ik gekeken naar het lelijke witte paard met roze manen dat op de voorkant van hun kar prijkte.

Mijn oog viel ook op de vele schoothondjes, met een doosje aan hun halsband. Er zaten zakjes in om hun drollen in te doen. De vreselijk opgetutte dame had dat netjes gedaan en zat nu met een uitgestrekte pink en een vies gezicht moeite te doen om het zakje door het rooster van een riool te duwen. Ze negeerde alle misprijzende blikken. Achter haar rug plaste het hondje tegen een betonblok. Toen ze opstond en zich omdraaide zette ze haar lederen laars recht in een pakje van een andere viervoeter…

Ik had gezien hoe een jongen dolblij het strand opliep. Hij ging zijn vlieger de lucht in laten. Zijn moeder hielp hem, een beetje verveeld liet ze de vlieger los. Het kind had de grootste moeite om de windvlieger de lucht in te krijgen. Toen dat eindelijk gelukt was, lukte het maar niet om het koppig ding in de lucht te houden. Zijn moeders houding was duidelijk: ze zou hier echt niet langer blijven staan om dat rotding nog eens omhoog te gooien. De vlieger belandde met een doffe klap in het mulle zand. De jongen liep er naar toe en zag dat de touwtjes hopeloos in de knoop zaten. Hij gooide zijn spoel met touw er boos bovenop en vloekte. Zijn moeder draaide zich om en draaide met haar ogen.

Op het strand herhaalden zich de traditionele taferelen, zoals altijd: kleine, vrolijk gekleurde emmertjes werden naarstig gevuld met schelpjes. Het één al mooier dan het ander. Elke schelp was een schat en moest uitvoerig bekeken worden voor het in het emmertje gelegd werd. Nog voor het tussen de andere schelpjes verdween, werden er al andere en vooral nog mooiere schelpjes gevonden, in zee gespoeld, gekeurd en goed bevonden. Ouders keken naar hun kroost en vroegen zich af waar de lading schelpen van de vorige vakantie gebleven was en wat er met deze zou gebeuren.

Ik had gezien hoe grootvaders helemaal opgingen in het bouwen van het zandkasteel waar hun kleinkind om gevraagd had. Dat kind zou tevreden geweest zijn met een uitgegraven geultje en één omgekieperd emmertje zand, daar bovenop een aantal schelpjes en een veer van een meeuw. Maar opa zag het groter: een gigantische berg zand, een echte slotgracht, verstevigde wallen rondom en verschillende kantelen waren zijn idee van een zandkasteel. Het kind had al lang zijn interesse verloren en zeurde bij oma om een ijsje. Oma probeerde de gulden middenweg te vinden door wat schelpjes in de kantelen te duwen, in de hoop het kind af te leiden. Even later stond opa te triomferen op zijn kasteel en zag oma dat het water van de zee nooit dicht genoeg zou komen om zijn grachtjes ook maar een beetje te vullen. Het kind veegde ontgoocheld een snottebel af aan de mouw van zijn jas. Opa zette zijn handen in zijn zij en strekte zijn stramme rug.

Zo had ik nog veel meer dingen gezien, dingen waaraan ik me ergerde, die me deden lachen, die me ontroerden of me deden terugdenken aan mijn kindertijd aan zee. De dijk liep leeg. Ongetwijfeld zat men nu voor tv, aan de vele verlichte vierkantjes in de flatgebouwen te zien. Mijn kannetje thee was op en ik besloot terug te gaan. Onmiddellijk besefte ik dat ik weer door dat stinkend steegje moest. Het deed me rillen, maar dat kon ook door het frisse briesje zijn dat opkwam vanuit zee. Ik zou mijn weerzin voor mijn terugweg door het steegje verdrijven met de mooie beelden die ik vandaag in me opgezogen had: de mooie kleur van de zee toen de zon onderging en de wolken die wel door Oskar Kokoschka geschilderd leken. De aalscholver die eenzaam rustte op een paal in zee… Eén ding wist ik zeker: morgen zou dit alles zich herhalen en er zou nooit een residentie mijn naam dragen.

EINDE

Coverfoto © ttimetanneke

Dit zijn de foto’s die ingestuurd werden bij het verhaal van Tanja Maes:[instagram-feed type=hashtag hashtag=”#drijfhoutoostende” hashtag=”#drijfhout27″ num=4 cols=4 showcaption=false]

Geschreven door:

Tanja Maes heeft al sinds haar derde levensjaar een onlosmakelijke band met de zee en met Oostende. Ze kent het als haar broekzak en als het thuis in Vlaams-Brabant wat teveel wordt, gaat ze steevast uitwaaien aan het strand, waar ze gretig alle impressies opslaat.