Schaduwmoeder

Victorine Carton beleeft de Eerste Wereldoorlog vanuit het Palace Hotel op de dijk in Oostende. Aan de voorkant van het hotel vertoeft ze tussen de Duitse officieren. Aan de achterkant sluist ze hun etensresten door om een stel weeskinderen van de hongerdood te redden.

Van dokter Reijnaart hoorde ik dat Oostende zonder slag of stoot was gevallen. Een groep Duitsers had hem vriendelijk en beleefd de weg naar het stadhuis gevraagd. De volgende dag hoorde hij van een stadbeamte dat die vriendelijke, beleefde Duitsers de hele stadskas leeggeroofd hadden. De officier had de burgemeester wel een geschreven kwijting gegeven. Ze hadden zelfs de Koninklijke Villa leeggeroofd. De soldaten logeerden in lege huizen van mensen die gevlucht waren, en plunderden daar alles wat ze konden gebruiken. Ook de wijnkelders van de hotels roofden ze leeg. Hij zei dat ik van geluk mocht spreken dat er Duitse officieren in mijn hotel logeerden. Zij zouden er wel voor zorgen dat er altijd eten was in de keuken. Alles op kosten van de stad natuurlijk!

Ik voelde hem al komen. Of ik van mijn gevulde keuken af en toe iets kon afpitsen voor een noodlijdend gezin in de Vuurtorenwijk? Vier kinderen, de oudste 13 jaar, zaten daar alleen. Hun vader, een visser, was verdronken op zee, en de moeder was enkele weken geleden gestorven aan tyfus. Ik zei dat ik niets kon beloven, maar dat hij één van de kinderen af en toe mocht sturen om te kijken of er iets overschoot van de feestjes van de officieren.

De volgende dag stond hij daar al, Emmerick. Een mannetje van 10 jaar oud. Zijn zus van 12 zat thuis bij de kleintjes: een tweeling van 4 jaar. Toen ik hem een paar boterhammen gaf, wist ik dat ik hem niet meer kwijt zou geraken. ‘Het is niet erg als de Duitsers er al aangezeten hebben’, zei hij, ‘wij eten alles’. Ik gaf hem de kam die ik van mijn broer Florimond gekregen had, als verrassing voor zijn zus. Ik beval de kok alle resten bij te houden.
Een paar dagen later kwamen de eerste gewonden aan in Oostende. Dokter Reijnaart had gelijk: ik mocht van geluk spreken dat er hier Duitse officieren logeerden. De andere hotels, Hotel des Thermes, Hotel Fontaine, Hotel de ‘Allemagne en ook het Atheneum in de Rogierlaan werden als lazerets ingericht.

De dag waarop ik bijna doodging van de schrik, herinner ik me nog scherp. Het was 23 oktober 1914. Rond twaalf uur vluchtte ik met de kok en het kamermeisje de wijnkelder in omdat twee Engelse torpedoboten een paar salvo’s losten op de stad. Het Duits geschut schoot direct terug. En opeens was het raak. Een Engelse granaat ontplofte in de eetzaal van Hotel Majestic. Dat was het einde van Hotel Majestic, ze timmerden het gelijkvloers dicht met planken.

Toen kwam het vreselijke nieuws. De eigenaars van ons hotel hadden beslist te sluiten. Ik twijfelde of ik toch niet zou vluchten. Henri achterna. Drie dagen later kregen we te horen dat niemand de stad nog mocht verlaten zonder papieren, dus dat was dat. Ze kwamen alles dichttimmeren. Ik logeerde een paar nachten bij mijn broer, maar ik voelde al snel dat ik een mond te veel was. Met de moed der wanhoop ging ik me aanmelden in het Palace Hotel. Ik had vernomen dat de Duitse officieren daar nu zaten. Ik mocht direct beginnen. Ook hier waren de meeste personeelsleden gevlucht. Het eerste wat ik deed was een foto maken van mijn nieuwe thuis.

Soms zag ik kinderen spelen aan de helling aan het Kursaal, ondanks het bord ‘Nur für Offiziere’. Niemand zei er iets van. De sfeer was ontspannen. Niet te geloven dat er op enkele tientallen kilometers van het strand een oorlog woedde. Dokter Reijnaart kreeg te horen dat er strandredders zouden aangesteld worden op kosten van het stad. Of dat niets voor Emmerick zou zijn. Hij regelde een afspraak, maar de Duitsers lachten hem in zijn gezicht uit. Hij ziet er nog geen tien jaar uit, en hij kan niet zwemmen! En dus wees de dokter Emmerick de weg naar mijn nieuwe stek in het Palace Hotel.

Ja, er werd wat afgeslempt in het hotel. Hoe meer ze zich lazarus zopen, hoe minder ze in de smiezen hadden dat ik hun halfvolle borden afruimde om zoveel mogelijk eten te recupereren voor Emmerick, zijn zus en de tweeling. Rond middernacht als de officieren zo hard snurkten dat de ramen ervan beefden, sloop Emmerick langs de achterkant het hotel binnen om zijn voorraadje op te halen.

Ja, het waren allemaal zwijnen, die officieren. Op één na. Herr dokter Otto Spiegel. Zijn moeder was een Gentse die in Berlijn met een dokter was getrouwd. Daardoor sprak hij ook Vlaams en Frans. De meeste van zijn patiënten waren officieren die allerhande onnoemelijke ziektes hadden opgedaan bij deernen achter het front. Hij had een hond meegebracht, die hij de hele tijd in het hotel liet. Die hond noemde hij ‘Officier’, al zei hij dat zijn hond veel betere manieren had dan de meeste officieren. Hij had ook iets artistieks: als hij niet aan het werk was, tekende hij met een degen figuren in het zand. Hij was ook oprecht verontwaardigd toen de Duitsers de hele aardappeloogst in beslag namen.

Op een dag beet ‘Officier’ al spelend een gat in Emmericks broek. Dokter Spiegel haalde twee mark uit zijn zak. De volgende keer dat we hem zagen, had die nog dezelfde kapotte broek aan. Dokter Spiegel vroeg waarom hij geen nieuwe broek gekocht had. De jongen zei dat hij het geld aan zijn zus gegeven had voor de kleintjes. Daarop stelde dokter Spiegel voor eens langs te komen om de gezondheid van de kleintjes te bekijken. Emmerick zei nog dat dokter Reijnaart van tijd tot tijd eens langskwam, maar omdat dokter Spiegel een Duitser was, durfde hij niet te weigeren.

Toen dokter Spiegel terug kwam van zijn bezoek aan het stulpje van Emmerick aan de oosteroever, vroeg hij mij koffie te zetten. Hij was helemaal aangedaan door wat hij daar had aangetroffen. Hij vroeg of ik echt geloofde dat vier kinderen konden overleven op resten van de keuken van één hotel! Ik had altijd gedacht dat Emmerick zijn toer deed langs verschillende restaurants. En sinds december was er ook verplichte rantsoenering, dus was ik er gerust in dat de kinderen toch tenminste hun 400 gram brood per dag zouden krijgen. En ze kregen ook nog mijn eigen broodrantsoen aan het gezin omdat ik uit de hotelkeuken at. Dokter Spiegel zei dat ze dan wel juist genoeg te eten hadden, de huur moest ook betaald worden. En de kolen vielen ook niet uit de hemel. Emmerick had daar nooit over geklaagd. Ik schaamde me diep omdat ik er nooit had bij stilgestaan. Toen de dokter bij Julie, de grote zus, binnenkwam, was ze in alle staten van woede en wanhoop. Ze schold hem uit omdat hij een Duitser was. Ze had geprobeerd de huur te verdienen door haar lichaam te verkopen aan de Duitsers. Voor de soldaten vroeg ze één brood, voor de officieren vijf mark. De soldaten betaalden meestal wel. Maar er was een officier al vijf keer bij haar geweest zonder te betalen. Hij had beloofd deze keer alles ineens te betalen: genoeg om de huur te betalen. Maar hij had gezegd dat zij de helft van het plezier had gehad en dat hij daarom maar de helft moest betalen. Toen ze het geld aannam, lachte hij haar uit in haar gezicht. Van pure schaamte legde dokter Otto de helft van de som bij. Hij gaf haar een spuit en een zalf tegen vuile ziektes, en beloofde haar regelmatig te komen opzoeken.

In de zomer van 1915 was het heel druk op het strand. De soldaten werden met treinen van het front naar Oostende gebracht. In hun veldgrijze tenue werden ze door de regimentsfanfare naar het strand geleid. (ze toont een foto) Hoewel het verboden was, speelden ze hun uniform uit zodra ze het water zagen. Vanuit het hotel zag ik hun witte billen blinken in de zon. Ik werd er helemaal triestig van. Deze jonge gasten hier zo speels door de golven te zien wippen, wetend dat ze binnenkort weer naar de hel zouden gestuurd worden.

Begin januari 1916, op de dag dat Koning Ludwig III von Beieren in Oostende kwam paraderen, werd Dokter Spiegel door Emmerick bij Julie geroepen. Ze moest al enkele dagen overgeven en hij wist niet wat er met haar scheelde. Ze had nochtans zijn advies om zich regelmatig bij hem te melden opgevolgd. Ze was ook ingeënt tegen tyfus. Toen hij thuiskwam, was hij weer even bedroefd als de vorige keer. Hij zei dat ik wat meer resten uit de keuken moest bewaren. Julie moest voortaan een mondje meer voeden, en als het zou tegen slaan zouden dat er wel eens twee meer kunnen zijn want er was al een tweeling in de familie.

Op de dag waarop groothertog Frederik II von Baden met veel ceremonie de stad bezocht, moest Dokter Spiegel weer alle plechtigheden missen. Emmerick was bijna zot geworden van het getier van zijn zus en had hem geroepen. Een paar uur later kwam hij het nieuws vertellen. Julie Catrysse was in haar veertiende levensjaar moeder geworden van twee jongetjes. Ze wist niet of de vader een Belg of een Duitser was, en omdat het nog niet zeker was wie de oorlog zou winnen, had ze er niet beter op gevonden dan de jongens Albert en Wilhelm te noemen.
Terwijl Julie al snel terug naar de danszalen ging om zich te prostitueren, zorgde Emmerick zo goed hij kon voor de tweeling. Als ze terugkwam, loste ze hem af zodat hij de restjes kon komen ophalen. Ik had de tweeling graag eens gezien, maar ik kon het hotel niet verlaten, tenzij voor boodschappen.

Het werd ook alsmaar moeilijker om de weg nog te vinden in Oostende, omdat alle straatnamen nu Duits waren. Alle werklozen moesten zich aanmelden om voor de Duitsers te werken. Velen hadden schrik dat ze bunkers zouden moeten bouwen. De meesten moesten gewoon zand scheppen op het strand, of sigaretten ophalen voor soldaten aan het front, of de logies van de soldaten kuisen. Op een dag moesten ze alle dichtgetimmerde huizen weer openbreken om er de matrassen en dekens op te laden omdat er in de lazaretten aan het front niets meer was om de gekwetste soldaten op te leggen. In september stonden ze bij mij, de arme drommels, om al het koperwerk uit het hotel op te laden. Zo wist ik het van de matrassen. Van ons koperwerk zouden ze hulzen van obussen maken.

Begin februari 1917 kwam Emmerick blij als een klein kind bij mij. ‘Er is geen school meer’, riep hij. ‘Er zijn niet genoeg kolen om te klassen te verwarmen’. Ik vroeg hem waarom hij daar zo blij om was. Sinds het overlijden van zijn moeder was hij niet meer op school geweest, en Julie al zeker niet. De tweeling was nu zeven, maar die hadden ze ook nooit naar school gestuurd. ‘Nu zijn we niet meer anders dan de anderen!’, juichte hij.

Normaal bleef hij elke avond een praatje slaan, maar in de maand maart haalde hij het pakje op zonder te blijven plakken. Julie was naar Brugge overgebracht omdat ze een of andere smerige ziekte opgedaan had. Hij kon de tweeling dus niet lang alleen laten met de tweeling van een paar maanden, en zo moest het baasje zich een maand lang snel weer naar zijn hol haasten. De kleine tweeling overleefde op suikerwater en havermoutpap. Dat had ik van de vluchtelingen geleerd en ik was blij dat ik toch iets kon bedenken om hen te helpen. Terwijl Julie in Brugge was, ging dokter Spiegel bijna elke dag bij hen langs.
Julie was nog maar net terug of Emmerick had een nieuw verdriet. Ik zag het meteen toen hij die dag in april binnen kwam met zijn lip tot aan de grond. Ik vroeg hem of de tweeling misschien ziek was. Dat was het niet. Een paar soldaten hadden zijn hondje afgemaakt, zei hij, terwijl de tranen in zijn ogen sprongen. ‘Die hond was ons enige speelgoed’. Het beest was het laatste cadeau dat ze van hun vader gekregen hadden. Hij moest afgemaakt worden omdat hij een straathond was. Enkel rashonden mochten van de Duitsers blijven leven.

De oorlog werd steeds grimmiger in Oostende. Het gebeurde al eens vaker dat Emmerick een dag moest overslaan omdat er weer geschoten was en hij verhalen gehoord had van Oostendenaars die armen of benen kwijt waren. In september vielen op de stad maar liefst 8 granaten. Ik hoorde dat er 18 doden waren en veel gekwetsten. Vaak lag ik ’s nachts wakker in mijn bed, te piekeren. Mijn horizon sloot zich volledig in en rond het hotel, en ik had constant het gevoel dat ik het noodlottige moment aan het afwachten was waarop het hotel vanuit de zee of vanuit de lucht zou geraakt worden. Maar wat kon ik anders doen dan doorwerken?

Dokter Spiegel nam mij steeds meer in vertrouwen. Hij haatte de oorlog. De soldaten die op verlof kwamen, waren elke keer smeriger. Al vanaf het jaar 1916 keurde hij jongens af voor militaire dienst nadat hij hun vreselijke verhalen had gehoord. Vooral het verhaal van ene Werner had hem getroffen. Werner ging opzettelijk op zoek naar hoeren die aan geslachtsziektes leden. Hij hoopte zo syfilis op te lopen zodat hij te ziek zou zijn om naar het front te gaan. De goede dokter had hem lang in het lazeret laten rusten. Af en toe kon hij er eens een ongeschikt verklaren. Dat vierde hij dan heimelijk in mijn keuken met een glaasje wijn. Maar toen hij begreep dat er voor elke ongeschikte een nieuwe scholier van de schoolbanken gelicht werd, en ze zelfs de kreupelen weer naar de loopgraven stuurde, gaf hij zijn persoonlijke strijd tegen het Pruisische leger op.

Er was zoveel dat ik hem nog wou zeggen, op die dag waarop ik hem daar in de hal zag staan met zijn kleine koffer, klaar om weer naar zijn heimat te vertrekken. Maar wat ik wou zeggen, past niet in dit leven, niet in deze tijd. Ik bedankte hem voor de zorgen voor Julie. Hij nam mijn beide handen vast en bedankte mij voor de goede ontvangst in het hotel. Hij stopte me een klein klompje goud in mijn handen. Dat had hij van zijn moeder gekregen, voor noodgevallen. Hij vroeg me het aan Emmerick en Julie te geven. Zijn hond had duidelijk geen zin om mee te gaan. Wat wil je, Officier woonde al bijna vier jaar in het hotel. ‘Je mag hem houden’, zei hij, ‘Hij kan toch niet mee op de trein’. ‘Ik zal hem aan Emmerick geven’, antwoordde ik, ‘hij speelt altijd met Officier als hij om het eten komt’.

Hij beloofde me na de oorlog terug te komen. Om een bezoek te brengen aan Julie en de tweeling, en om mij eens ‘echt’ te bedanken. Hij kon niet beloven wanneer dat zou zijn.
‘Bij toeval’, fluisterde hij. Ik kuste hem op zijn wang en ik zei: ‘Daar zal ik op wachten, op dat toeval…’ De volgende maand kwam ik het hotel bijna niet meer uit. Ik moest steeds creatiever zijn met de gehamsterde etenswaren om Emmerick nog iets te kunnen geven. Ik had gelukkig nog conserven kunnen achterhouden. Ik spaarde alles uit mijn mond voor hem. Hij was erg blij met Officier en die liep voortaan overal met hem mee. ‘Dat kan ik toch niet opeten’, vloekte hij toen ik hem het goudklompje gaf.

Toen ik voor de eerste keer in zes weken weer het hotel verliet, was ik zo mager dat de zeebries me bijna meevoerde. Dat was op 6 november. Ik had van het kamermeisje vernomen dat de vrouwen die nauwe betrekkingen gehad hadden met de Duitsers aan het Stadhuis bijeengedreven werden. Ik stoof naar buiten.

Julie had geen andere keuze gehad. Het was dat of verhongeren. Iemand moest het voor haar opnemen. Koortsachtig zocht ik in de joelende menigte naar haar. Mijn hart klopte in mijn keel. De meisjes werden opgehaald, ze zouden naar Brugge worden afgevoerd. Wat er daar met hen zou gebeuren wist niemand. Ik moest dit tegenhouden! Al het speeksel trok weg uit mijn mond. Plots besefte ik dat ik helemaal niet wist hoe Julie eruit zag. Ik begon nu ook te tieren: ‘Julie, waar is Julie, zij moet bij haar kinderen blijven’, maar niemand luisterde. Enkele bruten sloegen de meisjes in het gezicht. Toen zag ik een meisje, of het nu Julie was of niet, dat zeker niet ouder dan veertien jaar was. Razend heb ik me op dat kind geworpen, en ik brulde: ‘Sla mij dan, lafaard, als dat al is dat ge kunt…’ En toen kreeg ik zo’n harde klap tegen mijn hoofd dat ik op de straatstenen viel en alles voelde duizelen. De lafaard was al weg toen ik weer de kracht vond om recht te springen. Het draaide nog lang in mijn hoofd.

De oorlog is nu al meer dan een jaar voorbij, maar elke dag dek ik deze tafel voor Otto Spiegel . We zijn toch nooit zo volzet dat er geen plaatsje meer zou zijn voor als het toeval de goede dokter nog eens naar Oostende brengt.
Het was op zo’n doods moment na de middag, toen ik door het raam naar de dans van de meeuwen tuurde, dat ik plots mijn Emmerick op de dijk zag wandelen, met twee kinderen en een jonge vrouw naast hem, een aftandse kinderwagen. Mijn hart sprong op. Ik sprintte de dijk op.

Voor het eerst zag ik de kinderen die ik in leven gehouden had. Officier kwispelde wild rond mijn benen.
‘Kom maar binnen langs de voorkant’, zei ik nog, voor de krop in mijn keel mijn adem benam.

EINDE
Fotocover © Oliver Yacht Services

Dit zijn de foto’s die ingestuurd werden bij het verhaal van Kathelijn Vervarcke:[instagram-feed type=hashtag hashtag=”#drijfhout10″ num=4 cols=4 showcaption=false]

Geschreven door:

Kathelijn Vervarcke is de auteur van 'Venus Frigida' (roman, Uitgeverij Lemmens), 'Peter Kollwitz' (historisch boek, Uitgeverij De Klaproos) en 'Käthe Kollwitz' (kunstgids, Uitgeverij De Klaproos). Daarnaast schreef zij ook toneel: 'De Samouraimoord' (Uitgeverij Vink), 'De Tuin van de Eeuwigheid' (Gonewestproduct van de Stad Diksmuide), 'Schaduwmoeder', 'Reine Flammen' en 'John McCrae: the call of duty'. Samen met Stefan van den Broeck stichtte ze 'De Dakbroeders', een vereniging voor historisch toneel en kweekvijver voor aanstormend talent.