Het vinden van wat nooit verloren ging

‘Ik zoek niet, ik vind.’ Wijselijke woorden van de Spaans-Franse kunstschilder Pablo Picasso, ooit in een poëtische bevlogenheid neergeschreven. Het citaat inspireert mij tot het feilloos oprakelen van ongeschonden bewaarde jeugdherinneringen, van flarden familiegeschiedenis uit een nog niet versteend geheugen.

1953 – Een ongenadige watertoevloed teistert het centrum van Oostende. Allerlei bemande jolletjes drijven langs de huizenrijen, het schouwspel wordt gadegeslagen vanuit ramen één verdieping hoog. Er vallen dodelijke slachtoffers, gehuisvest in een lager gelegen woonkwartier van de Saswijk dichtbij de ‘Ibis’. Daar volgen wezen of kinderen uit gebroken gezinnen een vissersopleiding. Een oom is er studiemeester. Ikzelf woon er niet zo ver vandaan, in de Vingerlingstraat op de Vuurtorenwijk waar veel vissersfamilies zich gevestigd hebben. Een vingerling is een roeroog doch dat zal ik pas later leren. Er ontstaat een goedkope nieuwbouw, vooral bedoeld voor vissersmannen en arbeiders. Onder impuls van een Franstalige vennootschap ‘Ostend Phare Extension’, kortweg ‘Opex’ en zo ontstaat er een opvallende benaming voor ons leefgebied.

Mettertijd zullen mijn woordenschat en algemene kennis beslist aangroeien. Zo zal ik ervaren dat Léon Spilliaert zijn schildersezel neerpootte op het Westerstaketsel en anno 1910 de Oosteroever, mijn habitat met een voorganger van de huidige ‘Lange Nelle’, vereeuwigde in ‘Havenzicht’. Hij zocht ook de overkant op om ‘Duinenlandschap’ bij middel van mengtechnieken op doek te zetten. De duinen, mijn vertrouwd speelterrein rondom het in zand verzonken ‘Fort van Napoleon’. Verderop dichtbij de slipway, waar schepen op een labyrint van houten balken voor herstelling of nazicht rusten, verheft zich een schraal begroeide heuvel. Dit is een superieure uitkijkpost voor het afspeuren van de einder want vader Robert, de Ijslandvaarder, wordt vandaag in de thuishaven verwacht. Het smalle aangezicht deint uit in een verticaal gegroefd kuiltje op de kin wat hem, in mijn ogen, een stoer uiterlijk schenkt. Hij is aangemonsterd als hoofdmachinist aan boord van de O.83 ‘Prince de Liège’, een kloeke telg die de diepzeevisserij bedrijft en toebehoort aan de hoog aangeschreven rederij ‘Pêcherie à Vapeur’. Vader behoort, naast de schipper en de stuurman, tot het hoofdtrio van de veelkoppige bemanning. Hij wordt aangesproken als ‘meester’, een gangbare term in de scheepvaart voor een motorist ter visserij. Bertje, de smeerder, doet dienst als zijn trouwe rechterhand. Vader heeft gevaren onder aanvoering van legendarische kapiteins: Boeyden, Steenkiste, Rycx en Dedrie. Mannen die steeds de haven binnenlopen met een rijke buit uit de noordelijke zeewateren.

Moeder Herlinde leunt tegen de verroeste koepel met kijkgaten, het restant van een door de Duitse bezetter ingeplant afweergeschut. Op de helling liggen her en der keutels van konijnen die hier ’s nachts spelemeien onder de lichtstralen van een slank opgeschoten baken. Zwarte bollen als de losgeraakte kralen van een paternoster die ik regelmatig zag glijden tussen de verweerde vingers van zuster Damida, zich ontfermend over de kleuters. Ook tijdens de zomervakantie wanneer ze toezicht houdt op de speelplaats, waar tonnen zand uitgekieperd werden. Zij is een engel op aarde en een vertrouwd figuur voor elke al dan niet gelovige Opexenaar. Regelmatig roep ik ‘Schip ahoy!’ Moeder, lezend in een liefdesstory van Courts-Mahler, kijkt op en schudt telkens het hoofd. Soms ontsnap ik aan haar aandacht en dring dan binnen in een nabijgelegen bunker. Het opgewaaide zand, verscholen voor de buitenlucht, verspreidt een klamme reuk. Mijn ogen moeten wennen, de asresten van een heimelijk vuurtje stoken of de drol van een verdwaalde hond vullen langzamerhand mijn spiedende blik. En dan hoor ik plots een vreugdekreet, moeder heeft het silhouet van de motortrawler herkend. Polletje van de schelpenwinkel heeft, op vraag van mijn vader, de O.83 in een naïeve stijl op linnen geborsteld en ingekaderd. Het schilderij prijkt als een pronkstuk aan de muur van de woonkamer.

Tijdens het versassen word ik door twee staalharde armen van een met wier beladen kaailadder geplukt en als een bliekje op het dek gedeponeerd. Dan mag ik de gezagvoerder, handig het stuurwiel manipulerend, begroeten. Moeder heeft achter mijn rug wellicht enkele veelbetekenende gebaren overgeseind want vader, wekenlang van huis, overvalt mij meteen. ‘Kattenkwaad uitgehaald, hé?!’, luidt zijn opmerking op een niet al te vermanende toon. Ik kijk hem ongelovig aan en dan wijst hij naar de radar. ‘Ik kon je apenstreken op het scherm volgen’, zegt hij met een uitgestreken gelaatsuitdrukking. Ik hoor gegniffel, het proesten van de omstaanders wordt onderdrukt. Ik daal af naar de slaapplaats waar afgemeten slaapkooien tijdens de korte aflosbeurten de gelegenheid geven om een uiltje te vangen. De reuk van oliegoed stijgt tot aan het plafond van de kajuit. Dan leidt hij me naar zijn domein, de machinekamer. Over zijn linkerschouder hangt een poetsdoek waarmee hij een eventueel gemorst druppeltje kruipolie met een flukse beweging verwijdert of de handen schoon veegt bij het repareren van een storend euvel. Hij houdt daarenboven niet van een slordig uitziende werkruimte. Want op hem rust de verantwoordelijkheid van een vlotte voortstuwing, van het in stand houden van een noeste paardenkracht. De treiler moet dikwijls optornen tegen de dreigende natuurelementen. Tijdens het winden van de sleepnetten, het hieuwen, helpt hij evenveel mee aan het harde labeur. Zijn zware handen zijn er een onomstotelijk bewijs van. Een foto bewijst dat de bemanningsleden soms gehinderd worden door een tot op borsthoogte reikende witte massa die zich op de reling opeengepakt heeft. Bij de afvaart vergelijkt vader het opengaan van de kolossale sluisdeuren met de toegang naar de hel maar nu komt hij terug in een hemelse wereld. Moeder wandelt over het loopbruggetje richting Vismijn waar de aanlegplaats gesitueerd is.

We trekken te voet huiswaarts, vader vertoeft nog even aan boord voor het afhandelen van enkele karweitjes. Het blijft een gewoonte dat hij naar ons thuisadres gevoerd wordt. Dan doet hij steeds een beroep op zijn vaste taxichauffeur, ‘Witte Mestdagh’, die met zijn onafscheidelijke zwarte kepie goed gekend is in de visserijmiddens. De plunjezak met te wassen kledij en de pangel vol deelvis verdwijnen in de koffer. Voor ons gezin, ik heb nog een oudere broer, is zijn thuiskomst steeds de bekroning van een veilige terugkeer. Het is tevens de waarborg van een dagenlang vers visfestijn dat nooit verveelt, we zijn ermee opgegroeid. Een grote bokaal met een schroefdeksel, die meestal de toonbank van een snoepjeswinkel bezet, is gevuld met in azijn en pekel drijvende van de schaal ontdane kreeftjes. Een delicatesse die een plaatsje krijgt in de steeds koele proviandkamer. In een kast die met gaas overtrokken is om de vliegen op afstand te houden van de tijdens de zeereis opgeslagen droogvis. Daarnaast staat een leeggespoelde fles ‘Domaine de Bressac’. Een brandy die, aangelengd met suiker en een geut kokend water, het ingrediënt is van een stevige poester om de koude te verdrijven. Ook gegeerd door de vislossers in de kantine van de Vismijn na een nacht doorwerken op de kademuur in soms ijzige omstandigheden. Deze fles bevat nù levertraan, een overgegoten goedje gedistilleerd uit de ingewanden van kabeljauw en schelvis. Elke dag in te slikken om opkomende kwaaltjes te verhinderen want moeder is overtuigd dat dit een wondermiddel is. Zij stamt uit een rasechte vissersgeneratie, de traditie wordt willens nillens voortgezet. Het citroenzuurtje ‘Napoleon’ verdoezelt achteraf de ranzige smaak.

Daardoor wordt Napoleon de eerste historische bekendheid die allengs mijn aangroeiende culturele bagage zal verrijken. Het is ook de voornaam op het geboortecertificaat van een stokoude buurman. De kale kamers van het vervallen naar zijn naam genoemde duinenbastion, dat hij eertijds liet bouwen tegen een mogelijke aanval vanuit het vijandige Albion, verschaffen onderdak voor de activiteiten van de zomerse speelpleinwerking. In de volksmond alom bekend als ‘de vakantieschool’. Een tram pikt mij dagelijks op en zet mij met andere kinderen af aan het oubollige ‘Militair Hospitaal’. We stijgen colonnegewijs naar de vroegere versterking, er wacht ons alweer een dag vol strandplezier.

Het lossen van de varia zeefauna doet me denken aan het verhaal van de wonderbaarlijke visvangst. Ik volg nù de beginnende leerjaren van de christelijk geïnspireerde parochieschool, gelegen in de Thomas Vanloostraat. Het opdraven van de tafels van vermenigvuldiging wordt af en toe verstoord als de directeur de klas binnenstapt om een vervolg te breien aan de vertelling van de Bremer Stadsmuzikanten of om uitleg te geven over vergeelde reuzenprenten met Bijbelse taferelen. Ze worden ontrold op een staander, een lange stok dient om de personages aan te wijzen. Geen enkele leerling heeft bezwaar tegen deze onderbreking van de les.

Vader is een gesloten boek, bijlange niet asociaal doch tuk op discretie. Vader is geen visserstelg doch belandde via zijn diploma in de maritieme wereld. Geen hoogdraverij van woorden doch eerder de boodschapper van een leuk voorval, doordrenkt met kwinkslagvolle anekdoten. Zoals de schipper die tijdens een noodweer zich smekend tot de weergoden richtte en beloofde een kaars, zo dik als een pilaar, in het Visserskapelletje van Bredene te laten branden. Waarop zijn zoon, een leerling-matroos, repliceerde dat dergelijke exemplaren niet bestonden en de vader vloekend zei dat hij zich niet moest bemoeien omdat zij daarboven toch geen weet hadden van het kaarsenbestand.

Moeder daarentegen vertelt mij tijdens mijn groeijaren enkele feiten uit de kroniek van hun beide families. Hoe haar vader Pierre, jarenlang allerlei zeeën bedwongen, verongelukte toen hij in de nasleep van de eerste wereldbrand een job aan de wal gevonden had. Hij behoorde thans tot een afdeling van de ontmijningsdienst in Lombardsijde. Toen op een dag nog niet ontmantelde obussen door telkens twee dragers verplaatst moesten worden, mondde de struikelpartij van één van hen uit in een catastrofe. Er volgde een opeenvolging van explosies, acht mannen werden de lucht in gekatapulteerd. Slechts één overleefde de ramp, verminkt voor het leven. Grootmoeder Eugenie, een kranige dame met een opmerkelijk Spaans voorkomen, bleef achter met tien kinderen die hun weg in het leven moesten zoeken. Zes dochters en ook vier zonen die naderhand hun broodwinning op zee zouden verdienen. De familie zou nog met tragedies geconfronteerd worden. Een zoon van moeders oudste broer en gezegend met de naam van zijn grootvader was een veelbelovende militaire carrière aan het uitbouwen toen hij met een jeep op een landmijn reed tijdens de Koreaoorlog. En haar broer Wardje, een schipper-eigenaar, kreeg een zeemansgraf toen hij in onbekende omstandigheden verdween terwijl hij de wacht hield en de bemanning aan tafel zat in het kombuis. Het roer werd overgenomen voor een helaas tevergeefse zoektocht. Er wordt verteld dat vissers soms hun gevoeg over de boordkant lossen om tijd te winnen, om het stuurwiel niet al te lang onbeheerd te laten. Men oppert dat hij vermoedelijk door een onverwachtse golfslag meegesleurd werd.

Ook de familie van mijn vader ontsnapt niet aan de hinderlagen van het levenslot. Broer Pol, een eeuwige vrijgezel, komt als burger om onder een bommenregen die boven Oostende gedropt wordt. De echtgenote van nonkel Jef verlaat in een verwarde toestand haar woning en blijft spoorloos. Het vuur wordt hem aan de schenen gelegd want hij wordt verdachte nummer één bij het oplossen van de raadselachtige zaak totdat tante levenloos aangetroffen wordt ter hoogte van het sluizencomplex aan het Zeestation van Oostende. Wellicht een wanhoopsdaad, nonkel Jef treft geen schuld. En ten slotte is er oom Achiel die, fietsend langsheen de Koninklijke Baan na zijn dagtaak in een scheepsatelier, opgeschept wordt door een overhaaste autobestuurder en ter plaatse aan de opgelopen verwondingen bezwijkt.

Vader zal enkele jaren later wegens gezondheidsproblemen het vissersbedrijf verlaten en zijn functie omruilen voor de baggervaart. Hij is opnieuw uithuizig tijdens de week voor geplande veranderingswerken in de regio van Gent en Antwerpen. Geveld door botkanker vecht hij tijdens zijn laatste uren tegen schimmen. De pijn verzacht door een morfinespuit, het broze lichaam liggend op een schapenvacht. Om beurt hou ik, in afspraak met mijn broer, een nachtwake. Tijdens de prille ochtenduren rep ik mij naar huis voor een opfrisbeurt en een haastig ontbijt. Een alarmerend telefoontje roept mij terug naar zijn sterfbed. Als ik de ziekenkamer binnenval, ben ik overtuigd nog een ultieme ademstoot meegemaakt te hebben. Ik beschouw het als een troost.

Moeder zal vader lang overleven tot op het ogenblik dat zij ook verpleegd moet worden, verzwakt door een kwaadaardige suikerziekte. Een nachtverpleegster belt mij uit bed, de polsslag is fel verzwakt. De twee zonen maken haar doodstrijd mee, ze is zich van niks meer bewust. Het lijkt als het ware symbolisch dat de gepensioneerde aalmoezenier ter visserij Corneillie opgeroepen wordt voor het toedienen van de laatste sacramenten. Hij vraagt welke beschermheilige haar mag bijstaan gedurende de ziekenzalving. ‘Sint Antonius van Padua’, antwoord ik zonder aarzelen. De behoeder van de vissers, zijn naam werd ontleend bij de bouw van het gebedshuis op de Opex, de Vuurtorenwijk. ‘Toontje’, zoals moeder hem steeds minzaam aansprak. Alsof hij tot haar échte kennissenkring behoorde.

Ik ben eindelijk uit de schaduw getreden zoals een mossel, gepleisterd tussen een door wind en water uitgesleten voeg van een strandhoofd, even een klep oplicht om het daglicht te aanschouwen. Een hommage aan mijn ouders en wellicht een boeiende getuigenis voor mijn ondertussen volwassen kinderen want, net als mijn vader, was ik meermaals afwezig door onregelmatige werktijden en de verhuis naar een andere standplaats. Hopelijk vooral een openbaring later voor mijn kleinkinderen, het oudste pas zes geworden en een vierde op komst in juli. Dit jaar vier ik mijn 70e verjaardag, een kaap die mijn vader met moeite overschreed. Waarom zou ik dan geen overlevering aan het papier toevertrouwen? De woorden ‘Verba volant, Scripta manent’ indachtig. Woorden vervliegen, het geschrevene blijft…

EINDE

Haven te Oostende / Léon Spilliaert

Geschreven door:

°Oostende , 04.05.1947 was Eerste Luitenant bij de Zeevaartpolitie, later Hoofdscheepvaartcontroleur