In wiens duisternis schijnt uw licht?

De late liefhebber

Ik ben de enige bezoeker. Lang nadat ik de eerste van een reeks helverlichte ruimtes ben binnengeslenterd, verschijnt nog een late liefhebber ten tonele die gelukkig snel om de dichtstbijzijnde hoek verdwijnt. Een vrouw, zo te horen. Het scherpe tikken van haar naaldhakken sterft uit in de verte van een aanpalende zaal. Ver weg, diep onder mij hoor ik de fletse echo’s van kinderstemmen.

Het werk is zwanger van een loden, allesomvattende dreiging die mij bekend voorkomt. Het is een positieve kwaliteit, zo voelbaar dat ik luidop zou willen declameren: ‘In dees pekswerte Duysternisse sal ieder Licht gesmoort, ook het Uwe’. In plaats daarvan beperk ik mij tot een voorzichtig prevelen dat nog het meest als ‘In wiens duisternis schijnt uw licht?’ klinkt. Ik schrik van mijn stemgeluid. Een suppoost die mij gehoord heeft, kijkt vreemd op, maar laat mij verder ongemoeid.

Het rommelige coloriet van Ensor zegt mij niets. Teveel bravoure om de bravoure, een wegkijken van de essentie. Dit kan geen zielsverwant zijn van iemand die op zoek is naar het hypnotisch effect van bleek maanlicht, laat staan een ontcijferaar van cryptische pensées op overwoekerde grafzerken.

Vele nachten later word ik wakker. Het is niet duidelijk of het morgen of avond is: mijn wekker, mijn polshorloge, de keukenklok – het lijkt erop dat de tijd zelf de adem inhoudt. Het gelijkmatig matte schijnsel dat door het raam naar binnen sijpelt, is van een haast tastbare kwaliteit die geenszins tot een nieuw begin uitnodigt. Het zou een opgave zijn om mij een weg te banen door dat taaie, viskeuze medium. Bovendien is er iets aan de hand met de deuren van de kleerkast – ze bevinden zich afwisselend in geopende en gesloten toestand, en soms, terwijl ze geeneens op een kier staan, vang ik een glimp op van de inhoud. Op de bodem liggen lukraak door elkaar gegooide, ouderwets aandoende vrouwenkleren. Aan de koperen stang hangen een dozijn of wat bleekhouten kleerhangers van uiteenlopend formaat. Sommige lijken heel oud. Aan de binnenkant van een van de deuren weet ik op ooghoogte een spiegel te hangen. Maar waarom heeft die oude kast zoveel weg van een verlaten gebouw dat het daglicht schuwt?

Het schijnsel komt overal en nergens vandaan. Hoog in de lucht ontwaar ik iets als een hemellichaam dat zwanger is van levensgevaarlijke stoffen die over de stad zullen worden uitgekieperd. Zonlicht, zo weet ik, heeft een toxische kwaliteit. Het komt erop aan van besmetting gevrijwaard te blijven.

Waarschijnlijk sta ik op, kleed ik mij aan en ga ik de buitenwereld – le cose della vita – verkennen, maar zekerheid hieromtrent heb ik niet. En opeens bevind ik mij in een verlaten buurt die mij bekend voorkomt. Oude kasseien waarop nog zelden voetstappen weerklinken, muren als grijze, met wier begroeide rotsmassieven waarachter geen spoor van leven schuilgaat. De gevels van wat ik gemakshalve de huizen zal noemen, wekken nochtans de indruk dat ze niets anders dan matgeel licht bewaken. Bij nadere inspectie blijken het haastig in elkaar getimmerde toneelrekwisieten. Die onverwachte indruk wordt bevestigd wanneer ik een houten constructie op de hoek van een willekeurige straat aan een nader onderzoek onderwerp. De voegen tussen de haaks op elkaar staande reclamepanelen zijn slecht gemaskeerd met bruine stopverf die op bepaalde plaatsen niet eens droog is. 

Het pleintje om de hoek, omgeven als het is door hoge gevels (of beschilderde planken die voor gevels doorgaan), is gevangen in een permanent halfdonker, maar doet niettemin zijn best om op een klein park te gelijken. Welig tierend mos onttrekt het voetpad en de straat gedeeltelijk aan het oog. Uit het midden van een verwaarloosd bloemenperk rijst de buste van een wezen dat bij vlagen menselijk lijkt. De banken voor de buste zijn klam en koud; het is niet echt aangenaam zitten, maar zin om voor het ding te knielen heb ik evenmin. De ogen in het stenen hoofd schitteren vervaarlijk.

Uit een open raam op de hoogste verdieping van het gebouw tegenover het beeld weerklinken nu opgewonden geluiden. Een heftig gekrakeel eindigt abrupt in stilte. En dan volgt een kleverig gegorgel. Ik wil hier niets mee te maken hebben, maar toch slenter ik naar de oude inrijpoort van het gebouw. Hij lijkt dichtgespijkerd, maar blijkt op een kier te staan en laat zich gemakkelijk openduwen.

De ruimte achter de deur staat vol kleerkasten waarvan de deuren allemaal op een kier staan. Ik zie nu pas dat het gebouw zelf veel wegheeft van een ouderwets hoge kast, een inzicht dat te laat komt om te verhinderen dat ik mij zonder merkbare overgang opeens weer in mijn slaapkamer bevind. Ik slaag er niet in de kleerkast te negeren. Er hangt geen spiegel meer aan de binnenkant van de linkerdeur.

Het daguerreotype

Ik moet het plein met de buste opzoeken. Maar bestaat het wel? Urenlang slenter ik door de winterse straten van het stadscentrum. Meer dan eens meen ik in de omgeving van het stadspark de inrijpoort van een Belle Epoque-huis te herkennen, maar nergens ontwaar ik het pleintje met het beeld. En de ruwe contouren van de steenklomp en daarmee ook de schittering in de starende ogen die mij zo in hun ban hielden, vervagen snel. Wat overblijft zijn lange zwarte haren. Waar komen die vandaan? Ze bedekken een gezicht, een gelaat dat in geen enkel opzicht op dat van het beeld uit mijn dromen gelijkt. Ik krijg ook het silhouet van een lichaam te zien, een ouderwets lange rok en lange zwarte kousen die eerder thuishoren in een opkrullend daguerreotype dat stof vergaart op een zolder vol geheimen. Nog voor ik mij kan afvragen of ik de jonge vrouw die voor mij oprijst eerder heb opgemerkt, vang ik doorheen de opwaaiende haarslierten een glimp op van haar gezicht. Een scherpe neus, ogen die in schaduwen zijn gehuld, en een wijd opengesperde mond die verbazing of ontreddering uitschreeuwt. Ze heeft kort daarvoor iets gezien dat haar een panische angst inboezemt en kan zich nauwelijks staande houden. Of is het alleen maar de wind die op haar tengere lichaam inbeukt, de nooit aflatende wind die haar als een pluimpje dreigt mee te voeren?

De reling waar ze ruggelings tegen aanleunt, herken ik – of liever de weerspiegeling van een detail ervan, namelijk de bolvormige massa die de grijze buizen aan weerskanten met elkaar verbindt. Ze staat op de zeedijk, naast de stenen trap die naar de golfbreker en het verlaten strand voor het casino voert. Het is niet duidelijk waar de waterlijn zich bevindt. De wind speelt met haar donkere lokken en met de witte ruches van haar onderjurk. Af en toe vang ik een glimp op van frivool glanzend ondergoed.

In de verte keert een late garnaalschuit terug naar de haven. Het scheepje heeft te kampen met onverwacht hevige windstoten die de rest van de zee onberoerd laten. Het zilte water klettert hoorbaar neer op het dek, terwijl de rest van de zee haast rimpelloos is. Is het dat wat ze gezien heeft? Maakt ze zich zorgen om iemand aan boord, een vriend of een broer, haar vader misschien? Het heeft er de schijn van dat ze iets schokkends heeft zien gebeuren en niet heeft willen wachten op de afloop.   

Geen kleerkast meer gevuld met bevlekte Belle Epoque jurken, nutteloze inrijpoorten die uitgeven op nog meer kleerkasten, of vergeten stadsplantsoenen met grijnzende grijsstenen beelden die de nietsvermoedende voorbijganger aanstaren. Elke nacht weer verschijnt de jonge vrouw ten tonele, soms met haar rug naar mij toegekeerd, haar billen en heupen paniekerig tegen de dijkleuning aangedrukt, haar mond opengesperd in een rictus van ontzetting. Wat is het toch dat zo’n heftige reactie in haar losmaakt? Voor zover ik kan zien hoeft ze zich over het scheepje geen zorgen te maken, want het heeft het staketsel bijna bereikt. Ik zal haar opzoeken en het haar vragen. Alles is beter dan hier in het halfdonker te moeten blijven zitten met dat ding in die kleerkast. 

Ik trek de voordeur achter mij dicht en dan besef ik dat op het punt sta op zoek te gaan naar een personage dat ik tot dusver alleen maar ’s nachts in mijn dromen heb gezien. Ik prevel snel een schietgebedje uit mijn kindertijd. Almachtige God, ik word krankzinnig.

De zeedijk in de buurt van het casino is volledig verlaten. Ik vloek luidop. Het kan de bedoeling niet zijn dat ik met hangende tenen terug naar huis sjok om geplaagd te worden door visioenen bevolkt door grote en kleine open monden, satijnen ondergoed en bleke bovenbenen. Ongeduldig haast ik mij naar de stenen trap. De einder lijkt volkomen leeg en op het strand is geen beweging te zien. Tussen de bogen van de Gaanderijen zie ik een complex schaduwspel van de ondergaande zon. Nog terwijl ik voor mijzelf een beslissing probeer te formuleren, word ik opeens geconfronteerd met een ontwikkeling waarvan ik tezelfdertijd hoop en vrees dat het mijn lot is.

Scherp afgetekend tegen het donkerrode licht, verschijnt onder de dichtstbijzijnde boog van de Gaanderijen het zwartomlijnde silhouet van een figuur die zich aarzelend van de snel donker wordende schaduwen van het bouwsel losmaakt. Het personage is nog te ver verwijderd om zekerheid te hebben, maar ik hoef mijzelf niets wijs te maken – zij is teruggekeerd en zal binnen de kortste tijd haar vertrouwde plaats aan de rand van de zeedijk willen innemen. Even is het niet duidelijk of ze blijft staan of zich onzichtbaar traag over de verweerde tegels voortbeweegt. Om de drie, vier stappen lijkt ze haar evenwicht te verliezen. Er klopt iets niet met die manier van bewegen, die knikkende knieën wekken een onbestemde afkeer in mij op. Wanneer ze blijft staan en uiteindelijk neerzijgt, heb ik het wel gehad. Ik heb in het geheel geen zin meer om haar van dichtbij te zien. Heeft ze mij opgemerkt? Ik sta precies op haar waaierige stek aan de reling bij de trap. Waarschijnlijk heeft ze niet verwacht daar iemand aan te treffen. Weet ze wel zeker of ze een confrontatie met mij aankan? Voor ze de afstand die ons scheidt kan overbruggen, laat ik de reling los en zet ik het op een lopen. Mijn handen voelen vreemd kleverig aan. Thuis merk ik dat ze onder het bloed zitten. Misschien heb ik de reling zo stevig vastgegrepen dat ik mij aan een van de vele grijze roestpokken gesneden heb, maar ik ontdek geen spoor van enige wond, hoe klein ook.

Geen spiegel meer

Geen spiegel meer in mijn kleerkast. Iemand heeft hem weggenomen en boven de haard gehangen. Ik durf niet in de diepten van het gladde oppervlak te kijken, maar wanneer ik het toch doe, moet ik mij beperken tot een benauwd staren. De trekken van het wezen dat als een kwalijke rook uit de diepten omhoog welt, herken ik niet als die van mijzelf. Het hoofd is te mager, het gezicht te hoekig, en bovenal lijkt het enige zichtbare oog, het linkeroog, niet eens op een mensenoog. Ik ken geen enkel levend wezen waarvan de kijkers niet rond of ovaalvormig zijn, en dit oog heeft iets van een vierkant of ruit. Het heeft onaangename dingen gezien, zoveel is zeker. Indien ik de vertrouwde voorwerpen rondom de spiegel niet waarnam, zou ik niet zeker zijn van de identiteit van het creatuur. Een vaas, een klok onder een glazen stolp, kaders rondom schilderijen die uitgeregende landschappen beloven. De mond van het wezen lijkt een slechte imitatie van de opengesperde lippen uit mijn dromen, die van de jonge vrouw. De gelijkenis is frappant.

Ik moet mij vermannen, de uitdaging aangaan. Ze zal mij geen rust gunnen en ik kan ook niet blijven vluchten. Aanvankelijk slaag ik erin mijn gedachten te verzetten met een nieuwe aquarel, maar het duurt niet lang of er sluipt een veelzeggende monochromie in dit nieuwe concept. Met groeiend onbehagen verbeid ik haar intrede. In plaats daarvan krijg ik ver weg op het strand een zwarte stip te zien die snel nadert. Het personage heeft zijn armen hoog opgeheven en komt wild gesticulerend dichterbij. In de rechterhand ontwaar ik een scherpe schittering, als van een stalen bliksem. Ik heb het tafereel zelf geschilderd, maar wat ik zie bevalt mij niet.

Bij maanlicht

De opwaaiende ouderwetse rok, de lange haarslierten, de onzichtbare ogen en de in een schreeuw opengesperde mond, het is er allemaal. Het scharlakenrood van haar satijnen ondergoed laat ik voorlopig achterwege, maar er komt wel een zijden bloem van die kleur op de linkerkant van haar hoofd. De korte blaadjes van het goedkope diadeempje wippen bij elke windstoot even omhoog, maar de korte steel van groen ijzerdraad zit stevig vast in de platgewaaide lokken net boven haar linkerwang. Ik herinner mij geenszins dat allemaal geschilderd te hebben. Het is een geslaagd werkstuk, maar ik wil niet dat anderen het te zien krijgen. Niemand mag zelfs maar van haar dromen.   

Het moet gezegd: ik begin flink genoeg te krijgen van die open mond. Als ze wil schreeuwen, waarom doet ze dat dan niet? En die lege oogkassen maken ook geen indruk meer op mij. In een opwelling wil ik haar kussen. Tot mijn afschuw bemerk ik witgepoederde wangen, grillig aangebrachte zwarte oogschaduw. Haar kleurloze oogleden knipperen in het maanlicht. Haar platvloerse lelijkheid verbijstert mij. Ze zal iets gaan zeggen: even speelt een flauwe glimlach om haar lippen, maar dan bemerkt ze mijn weerzin en haar mondhoeken zakken onherroepelijk naar beneden. Ze mijdt mijn blik, haar grote ogen flitsen naar rechts, dan naar links. De gapende mond van de Oosthelling achter ons is een leegte die ons zal opslokken wanneer wij zo blijven staan. Alleen de zee kan nog soelaas bieden. De andere op het strand is heel erg dichtbij nu.

Zwijgend dalen we de stenen trap af. Ik proef zout op mijn lippen. Schelpengruis knarst onder haar voeten. De ijzige kilte in de binnenzak van mijn jas is voelbaar tot op mijn huid, tot in mijn hart, maar er is geen twijfel. Ik heb haar beeltenis vereeuwigd en ze mag voorgoed uit de werkelijkheid verdwijnen. De mannen en vrouwen waarmee ze mij bedrogen heeft komen later aan de beurt. Ik neem mij voor een reeks tekeningen in Oost-Indische inkt aan hen te wijden.

‘Ho tradito, mi merito di morire.’

‘Ti perdono.’

‘s Nachts is de zeedijk een verlaten plaats waar licht en duisternis samen boven de zee rijden. Het zilt fluistert raadselachtige boodschappen die in het schuim wegzinken; de golven herbergen ongekende geheimen en wezens. Ik maak het lemmet schoon in een aanstormende golf. Water sijpelt in mijn schoenen. Rozerode tinten spelen door het grijze water. Een wegtrekkende golf neemt ze mee en ik blijf achter. Haar voetsporen verdwijnen een voor een. Van de mijne is haast niets meer te zien, maar dat verbaast mij niet.   

EINDE

Zelfportret met spiegel / Léon Spilliaert

Geschreven door:

B. B. Bijkaart heeft een journalistieke opleiding achter de rug. Hij vertaalde Jean Ray en Hanns Heinz Ewers voor de Amerikaanse markt en is de auteur van een onuitgegeven Nederlandstalige roman die genomineerd werd voor de Gouden Gids Manuscriptprijs. Hij schreef ook een verhaal voor de eerste editie van Drijfhout. Hij verzamelt Lovecraft en Reve.