Zeegeruis

Het was knus en warm in de auto, maar buiten probeerden sneeuwvlokken de voorruit dicht te metselen. De ruitenwissers draaiden overuren. ‘Wat een goed idee’, zei Adrie, mijn man, cynisch. Hij zat met zijn neus tegen de voorruit om de weg te kunnen zien. ‘Jij wilde toch ook graag gaan’, zei ik terwijl ik hem over zijn schouder wreef. ‘Ja, dat wel, maar dit is eigenlijk te gek voor woorden. We moeten ook nog terug. Wanneer de sneeuw zo blijft vallen, dan moeten ze ons straks uitgraven’. Ik had me een maand zitten verheugen om naar Oostende te gaan. Charlotte Mutsaers hield er een lezing. Daar wilde ik graag naar toe en… ik wilde ook nog eens naar Oostende om herinneringen op te halen uit mijn jeugd. Ik wilde door de straten dolen, ik wilde de zee zien, de bolderkarren en de koetsjes. Eigenlijk wilde ik even terug in de tijd. In Oostende had ik voor de eerste keer de zee gezien. Daar zag ik de aangespoelde schelpen en zeewier en ik hoorde er vooral het geluid van de zee. Maar het was winterser dan ooit. Dat was niet bepaald de ideale stranddag. Mijn hart smolt wanneer ik hem zo gekweld zag rijden. Hij had hier helemaal geen zin in, maar reed toch verder.
Ik zette de radio zachtjes aan en gaf hem een broodje met wat koffie.

Ik zat in mijn zomerjurkje op een terras met mijn vader met een enorme ijscoupe. Hij at langoustines en dronk een glas wijn. Mensen flaneerden langs ons terras en kinderen slingerden met bolderkarretjes tussen de benen van de toeristen. Je rook de zee en de vis, hoorde de lachende mensen, en zag de zorgeloosheid van iedereen.

‘Heb je nog wat koffie’, vroeg Adrie. ‘Het zal wel even duren voor we er zijn. De weg is hier niet erg goed begaanbaar.’ Ik kreeg met ons te doen. ‘Willen we dit nog wel?’ vroeg ik een beetje beteuterd. ‘Laat ons maar gewoon doorrijden’, zei hij. ‘We zijn nu op pad. Kijk, hier gaat het weer beter. Het is de wind die de sneeuw hier en daar opstuwt.’

We slenterden door de straten. Met mijn neus tegen de etalageruit van de schelpenwinkel vergaapte ik me aan al de leuke schelpen , kommetjes en allerhande leuke zeesnuisterijen. We gingen naar binnen en kochten 2 mooie grote schelpen en een zeester. Prachtig waren ze. We namen die schelpen waar het meeste zeegeruis in zat. Een voor mijn zus, die thuis was met mijn moeder op ons vakantieadres. Zij had een oorontsteking en bleef die dag liever thuis. ‘Kijk, daar op het einde van die lange weg langs de zee is een klein strandje met paardenkoetsjes.’ Ik trok mijn vader mee de weg over. ‘Goed’, zei mijn vader, ‘we laten ons door Oostende rijden’. Daar gingen we, als vorsten keken we op de mensen neer, we zagen huizen met de grandeur van vervlogen tijden, we zagen verliefde stelletjes op bankjes, we zagen rennende kinderen met emmertjes en schepjes.

Uiteindelijk reden reden we weer langs het enorme strand. ‘Dit is de Zeedijk’, zei mijn vader. ‘Oh’, riep ik, ‘kijk eens pap, wat een hoop vliegers in de lucht’. Mijn vader vond het ook prachtig en hij beloofde er een te gaan kopen wanneer we weer op het kleine strandje waren. Dan kon ik morgen misschien met mijn zus vliegeren.

We kwamen uiteindelijk na 2 uur rijden aan in Oostende. Het viel daar op het moment wel mee. Er stond wel een ijskoude wind die ons de adem afsneed toen we op een grote parkeerplaats uitstapten. Het navigatieapparaat zei dat de bestemming bereikt was, dus hier vlakbij moest Zeedijk 10 zijn. We klauterden de Zeedijk op en keken naar de huisnummers. Maar wij zagen geen nummers op die gebouwen. ‘Kom’, riep ik, ‘laten we toch gewoon even naar de kant van het centrum lopen. Straks zien we wel waar het is. Moet hier ergens zijn, kan niet anders’.

Zo togen we in de wind en in de sneeuw naar Oostende. Ik liep het liefst langs de zee, maar je zag hem nauwelijks. Het was een grijswitte massa. Ik hield Adrie stevig vast, we wilden niet vallen en ik wilde natuurlijk dat hij het gezellig vond. We strompelden door de straten waar de mensen met gezwinde spoed als schimmen door de wind werden voort geblazen. En opeens stonden we bij een etalage van een schelpenwinkel, Zou dat dezelfde zijn van toen? Oh, kijk eens Adrie, al die spullen tussen de leuke kerstversiering. Lampjes in schelpjes slingerden door de etalage. Op het einde van die straat was er een kerstmarkt. Kraampjes stonden met de rug naar de wind, vuren knetterden dat het een lieve lust was, mensen warmden zich op en dronken een warme drank terwijl de kinderen elkaar met sneeuwballen te lijf gingen. Er waren verwarmde terrasjes, het leek wel even zomer.

‘Die vlieger pap’, en ik wees naar een gekleurde vogel met een hele lange staart. ‘Ja, die, kan dat?’ ‘Tuurlijk, hij is prachtig. We gaan hem meteen uitproberen.’
We liepen met de vlieger in de hand richting strand. Het duurde niet lang of hij stond strak in de lucht. Jeetje, wat mooi was dat. Je moest er op tijd aan trekken wanneer het touw slap stond. Mijn vader trok ook af en toe , maar ik kon het eigenlijk best zelf. Oh, nu moest ik trekken, oh…. rennen . Nee, daar kwam hij al uit de lucht vallen.
Ik liep naar de vlieger toe, niets kapot. ‘Pap….pappa’, riep ik. Waar was mijn vader nu. Ik zag hem niet meer. Ik rende het strand over. Nee, misschien moest ik blijven staan. De angst sloeg toe en tranen prikten al achter mijn ogen.

Ondertussen hadden we al een heel eind gelopen. ‘Moeten we niet eens terug?’ ‘Ja,laten we dat maar doen. Straks zijn we nog te laat en missen we Charlottes kerstgesprek’. Maar hoe snel we ook liepen, je kwam haast niet vooruit. Het was enorm gaan sneeuwen en de wind leek wel van alle kanten te komen.
Wanneer Zeedijk 10 inderdaad daar was waar onze auto stond, dan haalden we het nooit. Zullen we het eens aan dat stel vragen? Het waren een man en vrouw die een buggy voorduwden door de sneeuw. Op het karretje lagen de boodschappen en daarachter, lekker beschut tegen de elementen, daar zat een kindje tevreden te slapen. ‘Weet u misschien waar Zeedijk 10 ligt? Het heet er ‘vrijstaat -0”. En hij wist het en vertelde dat het daar helemaal aan de einder lag, waar wij begonnen waren met onze wandeling. Ik keek al heel beteuterd. Dat zou rennen worden.

Ik rende met mijn vlieger tegen me aan gedrukt richting pier. Oh, waar was hij nou? Mensen draaiden zich om en zagen mijn vertwijfeling. De tranen liepen nu over mijn gezicht. Een mevrouw vroeg wat er scheelde. Maar hoe kon zij nu mijn vader vinden, die ze niet eens kende. Nee, gewoon blijven staan en proberen de vlieger omhoog te krijgen. Die zal hij wel herkennen. Maar het lukte mij niet. Iemand moest hem vasthouden. Maar ineens werd ik opgepakt en mijn vaders stem zei: ‘Hé, kleine meid, ik was je kwijt. Was je geschrokken?’ Hij knuffelde me en haalde de tranen van mijn gezicht. ‘Dat had je goed gedaan hoor. Altijd blijven staan. Zullen we nu maar weer eens naar huis gaan?’ Ik knikte blij en zo liepen we hand in hand weer richting auto.

De man zei: ‘Weet ge wat, ik breng u, want het is een hele tippel tot daar achter en het weer is er ook niet naar om ervan te genieten. Zet u bij ons in de auto, want wij moeten ook die kant uit.’ Hij liep naar een auto, haalde het kind en de boodschappen uit de buggy. En zo werden wij heerlijk in de auto door de straten van Oostende gereden met het kind tussen ons in. Het werd al donker en de straatlantaarns beschenen de enorme sneeuwvlokken die uit de hemel vielen. Oh, wat was ik opgelucht. We werden voor het bewuste pand gereden. ‘Ja, hier is het’, zei de man vriendelijk. ‘Er staat geen nummer op het pand, maar hier is het’. Hij wilde van geen beloning weten, zwaaide ons uit en vervolgde weer zijn weg.

Wij vlogen het gebouw binnen waar het al naar koffie rook en de tafeltjes klaar stonden. Op het podium 2 stoelen, een voor de schrijfster en een voor haar interviewer. De schrijfster was ook door de sneeuw komen lopen en het werd een genoeglijke avond.

De reis was zeker de moeite waard geweest. Al de aangewaaide herinneringen daar bij de zee en in de stad waren meer dan flarden geweest. Nergens anders had ik die zo intens gewaar kunnen worden. Zelfs dit noodweer was er voor nodig. En Charlotte, die was het toetje.

EINDE
Foto © Ronny Rycx

Dit zijn de foto’s die ingestuurd werden bij het verhaal van Ria Brugge:

Geschreven door:

Ria Brugge komt uit Ijzendijke in Nederland, maar koestert warme herinneringen aan de vakantiedagen die ze tijdens haar kinderjaren in Oostende doorbracht.